Boekbesprekingen InZicht 2010
Fokke Slootstra
De krachtige waarheid van Al wat Is
Fokke Slootstra (1958) werkte jarenlang als verpleegkundige en leidinggevende in de gezondheidszorg. Het is Fokkes passie, al zijn hele leven, om op een intense manier te werken met mensen zodat zij tot bewustwording, vrede en vrijheid komen; om de van zijn Bron vervreemde mens terug te brengen naar de verwondering dat er geen afscheiding is, dat alles met alles verbonden is.
Atte Bouma
-------------------------
Gary Crowley
De subtitel ‘Verlichting als bestemming' zegt waar dit boek over gaat. Het is een ‘reis van hier naar hier' en niet van hier naar daar, want uiteindelijk kun je nergens heen gaan en valt er niets te bereiken. Wat wel mogelijk is, is een verschuiving van oriëntatie door een vernieuwd inzicht. Dat probeert Crowley in dit boek te bewerkstelligen met behulp van de wetenschap, want "de wetenschap heeft de serieuze zoeker altijd geholpen - alleen een dogma heeft last van die lens". Vooral het idee dat we van onszelf hebben als wezens met een bewuste wil is, gezien vanuit het standpunt van de biologie en de neurologie, een fictie. Wat ons neurologisch stelsel denkt of doet is de uitkomst van miljarden neurologische mechanismen aan de hand waarvan sommige gedachten, gevoelens en reacties geselecteerd worden om vervolgens bewust ervaren te worden. Uiteindelijk denken we misschien wel dat we iets te kiezen hebben, maar onze keuze is de uitkomst van voorbewuste besluiten. Ook ons gevoel van continuïteit is een illusie. De menselijke hersenen geven absolute voorrang aan samenhang en verzinnen desnoods iets om deze samenhang en continuïteit te garanderen. Crowley illustreert deze beweringen met een aantal leuke afbeeldingen met optische illusies. Ten slotte moeten we besluiten dat het idee van ‘ik', een afzonderlijk individu met een bewuste wil, ook maar een idee is, een illusie. Er bestaat geen bewuste wil en dus ook geen ‘ik'. Het is slechts een mythe, iets wat je je inbeeldt.
Raf Pype
----------------
Liza Unmani Hyde
Jacqueline Lansu
-----------------------
Rupert Spira
‘TheTransparency of Things' is om diverse redenen een zeer bijzonder boek. Gaven de oude Indiase Upanishads en Veda's vaak zeer specifieke instructies ten aanzien van de wijze waarop het wezen van onszelf onderzocht kan worden, in de moderne advaita-literatuur zien we dit veel minder terug en mist de lezer vaak handvatten waarmee hij in staat wordt gesteld zijn eigen conclusies te trekken. Rupert Spira's boek vormt hier een uiterst welkome uitzondering op. Op systematische en consequente wijze neemt de schrijver ons mee op onderzoek en legt hij moeiteloos de waarheid bloot rond tal van onderwerpen die vaak niet of slechts oppervlakkig in boeken over advaita aan bod komen. Het zijn verontrustende, soms zelfs ontwrichtende onderzoeken, waarin ons gevraagd wordt om uitgangspunten ter discussie te stellen die we ons hele leven lang al als waarheid hebben aangenomen.
Han van den Boogaard
-----------------------------
Pia de Blok en Patricia van Bosse
In het ‘Woord vooraf' wordt aangegeven dat dit boekje ontstaan is uit de vraag naar lectuur voor jongeren over de belangrijke levensvragen die in het advaita-onderricht aan bod komen. Er bestaat een duidelijke lacune op dit gebied, en hieruit ontstond dit sprookjesachtige verhaal. Misschien wekt dit de suggestie dat dit boekje uitsluitend voor jongeren bestemd is, maar het tegendeel is waar. Misschien zijn zelfs te weinig jongeren er al rijp voor. Maar alle jongvolwassenen en volwassenen zullen er veel leesplezier aan beleven. Ook mensen die nog nooit van de term ‘advaita' gehoord hebben zullen op een plezierige wijze veel nieuwe inzichten kunnen opdoen.
Guy Vandeput
---------------------------------
Jeff Shore
Jeff Shore, een Amerikaan die 25 jaar in Japanse zenkloosters heeft doorgebracht en momenteel hoogleraar is aan de zen-universiteit van Kyoto, spant zich reeds jaren in om mensen in Oost en West te introduceren en warm te maken voor zen.
Rogel Diaz
--------------------
Chögyal Namkhai Norbu
Danny Senesael
------------------------
John Tarrant
Rogel Dias
----------------
Premananda
Han van den Boogaard
-------------------------
Dit boek is een neerslag van gesprekken met Nisargadatta Maharaj in de periode 1979-1980, juist voor zijn overlijden in 1981. Er zijn een paar teksten die ten dele met het niet in het Nederlands vertaalde Seeds of consciousness (New York, 1982) overlappen. De rest van de gesprekken is nog niet in boekvorm verschenen. Douwe Tiemersma bewerkte zorgvuldig de Engelstalige manuscripten van Jozef Nauwelaerts, van wie de meeste geluidsopnames afkomstig zijn.
Danny Senesael
-----------------------
AUTEUR
TITEL
Gary Crowley
Liza Unmani Hyde
Rupert Spira
Pia de Blok en Patricia van Bosse
Jeff Shore
Chögyal Namkhai Norbu
John Tarrant
Premananda
Nisargadatta Maharaj
Premananda
Jeff Foster
Maarten Houtman en Nico Tydeman
J.C. Amberchele
Bieke Vandekerckhove
Soumia Koning
Robert Hartzema
Adyashanti
Sally Bongers
Nisargadatta Maharaj
Jed McKenna
Van hier naar hier
Ik ben het leven zelf
The Transparency of Things
Jij bent... mij - Een advaitasprookje
Zijn zonder zelf: de kern van zen
Dzogchen onderricht
Breng me de neushoorn
Arunachala Shiva
De bron van het zijn
Arunachala Shiva
Leven zonder middelpunt
Geen meester, geen leerling
Het licht dat ik ben
De smaak van stilte
Dans van openheid
De Ruimte van gewaarzijn
Het einde van je wereld
Alledaagse verlichting
De Nisargadatta Gita
Notities
Fokke Slootstra
De krachtige waarheid van Al wat Is - Innerlijke vrijheid, juist nu!
Uitgeverij Elikser B.V.
105 blz., € 17,50, ISBN 9789089541178
Dit eerste boek is een verslag van zijn ontdekkingsreis door de fascinerende wereld van psychotherapie en spiritualiteit. Het is een bijzondere mix van deze twee werelden met verhalen, inspiratiebronnen, oefeningen, te vermijden valkuilen en een oproep aan de lezer om zich weer te verbinden met zichZelf, de medemens en de aarde.
In het eerste hoofdstuk krijgen we een inkijkje in Fokkes leven. Hij vertelt hoe zijn zoektocht naar de zin en bestemming van het leven rond zijn zesde jaar begonnen is. In de pubertijd grasduinde hij in boeken over zen en in het Tibetaanse Dodenboek. Hier werd de kiem gelegd om als bijna dertiger het zenboeddhisme te gaan beoefenen. Na bijna acht jaar zen, met onder andere een maandlange retraite in de woestijn van Californië, is hij yogalessen gaan geven.
Onder meer door het contact met een collega kwamen er langzaam deuken in zijn overtuiging dat hij harmonieus opgevoed was. Nadat zijn vrouw in contact was gekomen met de Speyertherapie, een intensieve tiendaagse vorm van regressietherapie, besloot hij ook de diepte van zijn verleden in te duiken. Hij onderging de Speyertherapie en vertrok voor een half jaar naar India. Hij volgde de opleiding tot Speyertherapeut en begon in Drenthe zijn eigen praktijk (‘De Verwondering') voor intensieve therapie.
Toen Fokke bijna veertig was, kwam hij in contact met de op de zijnsoriëntatie van Hans Knibbe geïnspireerde workshop ‘Geboorte en dood'. Voor het eerst kwamen therapie en spiritualiteit voor hem toen prachtig samen. Dit zorgde voor een nieuwe ommekeer in zijn leven. Vier jaar lang volgde hij de opleiding voor zijnsoriëntatie, ging zelf groepen leiden en lezingen geven en begon met het schrijven van artikelen.
Zijn zoektocht naar de zin van het leven beschouwt hij als beëindigd, wat niet betekent dat er niet nog heel veel in het leven en in hemzelf te ontdekken valt. Mede op grond van zijn eigen ervaringen ontwikkelde hij nieuwe therapievormen als Non-Duale Therapie en Tools for Life Therapie, waarvan de achtergronden in grote lijnen in dit boek beschreven staan.
Hoofdstuk drie begint met de beschrijving van de Bron, ook wel God, Tao of Zijn genoemd, en hoe je daarmee in contact kunt komen. Hierna wordt er beschreven op welke vier gebieden overtuigingen en programmeringen ons leven, vaak onbewust, kunnen beheersen en hoe we hier bevrijd van kunnen worden.
In de twee hoofdstukken ‘Het geheim van onze herinneringen' en ‘De stromende aard van de werkelijkheid' wordt de lezer meegenomen naar het mysterie van de ontdekkingen van de kwantumfysica en hoe we die ook praktisch in ons leven kunnen vertalen. Een apart hoofdstuk is gewijd aan hoe relaties kansen kunnen bieden voor bewustwording en persoonlijke groei. In het laatste hoofdstuk, ‘De spirituele bypass', ten slotte, wordt de wijdverbreide neiging om spirituele beoefening te gebruiken om bepaalde emotionele en/of persoonlijke onafgemaakte zaken te omzeilen of te verdoezelen besproken. Gezien de groei van de belangstelling voor spirituele zaken beslist heel noodzakelijk om eens goed bij stil te staan!
Dit boek is dan ook een oproep van de schrijver om je weer te verbinden, de illusie van afscheiding en vervreemding te gaan doorzien en te verbinden met alles wat is, met Dat wat jou geboren liet worden. En daar sluiten wij ons van harte bij aan.
Van hier naar hier
Uitgeverij Samsara, 2009
ISBN 978-90-77228-81-4, 120 blz., € 14,95
Tot daar het eerste deel van het boek: het afbraakwerk. Maar wat blijft er dan over? Gewoon: dat wat is, "het niet-iets van ongeconditioneerd gewaarzijn", zegt Crowley. Als gewaarzijn besef ik dat ik geen ding ben en dus blijft ‘alleen' het ervaren van dit hier-en-nu als wat ‘ik ben'. Bij het accepteren van je eigen ‘nulheid' eindigt het lijden, want er is niet iemand die lijdt. Het omarmen van je allesheid als het ervaren van dit hier-en-nu resulteert in het vieren van het leven. Volgens Crowley kan dit enkel gebeuren op basis van inzicht - waarbij hij er terecht op wijst dat inzicht in deze context niet slaat op kennis, maar op een onmiddellijke herkenning van wat is. Hij haalt hierbij ook enkele van de ‘visuele' experimenten van Douglas Harding aan. Hij stelt ze voor als oeroude ‘oefeningen' om tot een heroriëntatie te komen. Hier lijkt hij toch even uit de bocht te gaan, want een zogenaamd citaat van Harding begint hij als volgt: "Stel je voor dat het ding boven je schouders dat we een ‘hoofd' noemen verwijderd is. Stel je op die plaats alleen maar ‘zuivere aanwezigheid van het zijn' voor...", terwijl Harding er nu juist op hamerde om op te houden met het maken van voorstellingen en te zien wat werkelijk hier-en-nu is. Dit is juist een uitstekend voorbeeld van onmiddellijke herkenning van wat is. Het zou me dan ook zeer verwonderen als dit citaat rechtstreeks afkomstig is uit de geschriften van Harding. Ook moet enig voorbehoud gemaakt worden bij de wetenschappelijke argumenten die Crowley aanhaalt. Ze klinken heel overtuigend, maar men kan zich toch afvragen of zijn opvatting over wetenschap zo algemeen aanvaard wordt als hij doet voorkomen. Afgezien hiervan is ‘Van hier naar hier' een inspirerend en verfrissend boek(je) dat op oorspronkelijke wijze de poten onder onze illusoire ik-stoel kan afzagen. Het leest bijzonder vlot, met veel verhalen en voorbeelden en met een aantal boeiende afbeeldingen van optische illusies.
Ik ben het leven zelf
Uitgeverij Samsara, 2009, 160 blz.
ISBN: 978-90-77228-72-2, € 17,50
Unmani Liza Hyde beschrijft het einde van het spirituele pad in haar onlangs uit het Engels vertaalde boek ‘Ik ben het leven zelf'. Volgens haar is iedere zoektocht overbodig. In korte hoofdstukjes over verschillende onderwerpen komt ze steeds terug op deze boodschap: er valt niets te zoeken, want er is niets te vinden en er valt niets te weten. Het leven zal nooit beter worden dan het nu is, want wat er nu is, is alles wat er is.
Na een beschrijving van Unmani's eigen herkenbare zoektocht die volgt op haar ervaringen als kind, volgen dialogen die ze met andere zoekers heeft gevoerd. Hierin komen verschillende thema's uitvoerig en herkenbaar aan bod in korte teksten, waarin geen woord te veel staat. Toch is het frappant dat ze in zo weinig woorden zoveel verschillende levensthema's aan bod kan laten komen: angst, de rol van emoties, liefde, vrijheid. Unmani legt uit dat het allemaal slechts woorden en begrippen zijn die we hanteren, maar dat ze tegelijkertijd een prachtig spel spelen. Ze beschrijven het leven zelf als spel waarin niemand aanwezig is. Het leven neemt het spel tevens waar. Zodoende hoef je ook niet te proberen iets te zijn of te doen, want tenslotte ben je het al. Binnen dit spel bestaan geen goed en fout. Uiteindelijk blijft alleen het vieren van de liefde over.
Als je na het lezen van dit boek om je heen kijkt, bezie je wellicht je eigen spel met andere ogen. Het drama dat zich afspeelt, de spirituele leraar die zegt te weten wat goed voor je is, alles wat je ziet en ervaart, behoren hier ook toe, evenals het dampende kopje thee en de bloem die gewoon een bloem blijkt te zijn. Als we Unmani's boodschap volgen, durven we ons over te geven aan totale onzekerheid en niet-weten, en herkennen we eenvoudigweg wat is.
The Transparency of Things - Contemplating the nature of existence
Non-duality Press, 2008, 255 blz.
ISBN 978-0-9558290-5-5
‘The Transparency of Things' neemt ons als bewustzijn mee op een prettige wandeling, staat soms even stil om ons ergens op te wijzen en vraagt ons voortdurend wat we op het moment van lezen eigenlijk ervaren. Op die manier wordt langzaam maar onvermijdelijk duidelijk hoe we de werkelijkheid ‘aankleden' met behulp van namen en vormen. Spira vestigt de aandacht op onze directe ervaring. Steeds weer zien we dan dat we onze gewaarwordingen, afkomstig van onze waarnemingsinstrumenten, de zintuigen, aanzien voor de werkelijkheid en gaan we zien dat de zintuigen en het denken fungeren als prisma's "aan de hand waarvan de eenheid van Bewustzijn/Bestaan uiteen lijkt te vallen in tienduizend dingen".
Ook nodigt Spira ons uit om getuige te zijn van de dagelijkse overgang van diepe slaap naar waaktoestand. In dat proces kan de verschijning van de ik-gedachte opgemerkt worden en vervolgens van de tijd, en ten slotte ook van ruimte. Dat weet hij prachtig te formuleren: "Tijd is de eerste taal van het denken; ruimte is de eerste taal van de zintuigen." Op dat punt komen de onderzoeken steeds weer uit: laat de gewaarwordingen van het denken en de zintuigen met rust, al is het maar heel even, en wat er overblijft is pure Aanwezigheid, puur Bewustzijn. Alle verschijnselen zijn erop terug te voeren, bestaan daaruit en uit niets anders - er is niets anders dan Dat.
Maar die conclusie dringt zich pas in al haar onvermijdelijkheid op als we de meest wezenlijke vragen die we onszelf kunnen stellen onderzocht hebben. Wat is het lichaam dat we ervaren? Bestaat er zoiets als ‘de geest'? Waar hebben we het precies over als we spreken over ‘de wereld'? Wat is ‘het ding op zichzelf', in tegenstelling tot onze waarneming ervan? Bevindt Bewustzijn zich in ons lichaam? Wat is een feit en wat is een overtuiging vermomd als feit? Zo tast Spira's boek langzaam maar zeker onze overtuiging aan dat we menselijke wezens met een lichaam zijn, wordt het huis van het afzonderlijke zelf steen voor steen afgebroken en maakt het de werkelijkheid zichtbaar in heel haar kale naaktheid.
De 44 hoofdstukken in het boek zijn onderverdeeld in korte paragrafen, die ieder op zich een overdenking vormen die je uitnodigt de waarheid ervan in je ervaring van het moment te verifiëren. Het vraagt rust en tijd om je daaraan over te geven, maar lukt het je om werkelijk aan de hand van Spira mee te lopen, dan kan ‘The Transparency of Things' een leven lang mee. Een schitterend boek dat een vertaling in het Nederlands verdient!
Jij bent... mij - Een advaitasprookje
ISBN 978-94-6089-165-6
100 blz., Uitgeverij Boekscout, € 14,95
‘Jij bent ... mij' is voor iedereen die van verhalen houdt. Het hele verhaal is ook niet te lang, zodat je zin krijgt om het meerdere keren te lezen. Het zit vol korte verhalen binnen het grote verhaal. Deze korte verhalen kunnen los van elkaar gelezen worden. In elk kort verhaal zit een diamant van wijsheid verborgen. Het is dan ook aan te raden om, telkens als je bij het herlezen op zo'n diamant stuit, te stoppen om in stilte de schittering van de diamant in jezelf en als jezelf te ont-dekken. Want de diamanten en de pareltjes die in het verhaal verborgen zitten zal iedereen zelf moeten ontdekken. Dit boekje beschrijft in feite een zelf-ontdekkingstocht in de vorm van een reisverhaal.
Het boekje staat vol pittige dialogen. Vele levensvragen komen in deze dialogen spontaan aan de oppervlakte en heel wat antwoorden worden zoekend gegeven. Misschien is het juister te zeggen dat je al lezend op de drempel wordt gebracht van een verfrissende openheid waarin jijzelf de antwoorden kunt ontdekken. Kortom, dit boekje zit vol pareltjes van inzicht die aan elkaar geregen zijn door de rode draad van een verhaal dat blijft verrassen. Verwacht geen gevechten met demonen of kwelgeesten zoals in tal van sprookjes. Dit sprookje blijft lichtvoetig, misschien wel té lichtvoetig in de ogen van sommige lezers.
Moge de titel ‘Jij bent... mij' zich realiseren in iedere lezer die met open nieuwsgierigheid aan deze meditatieve lectuur durft te beginnen.
Zijn zonder zelf: de kern van zen
Uitgeverij Asoka,160 blz., € 17,95
ISBN 978 90 5670 175 8
Shore steekt in een eerste hoofdstuk van wal met eenvoudige en tot de kern gereduceerde voorschriften rond de praktijk van de zenmeditatie (zazen). Hij beschrijft de lichaamshouding, de psychologische aanpak, de ademhalingsoefeningen en het omgaan met gedachten, dit alles gecentreerd rond "de aandacht om één te worden".
De fundamentele gegevenheid van de werkelijkheid doet ons op zoek gaan omdat hij gekenmerkt wordt door onbestendigheid, vredeloosheid en niet-zelf. Daarom gaat Shore ook dieper in op de fundamentele begrippen ‘kalm' en ‘helder', en legt hij uit dat de zenpraktijk erop gericht is om het eigen zelf te doorzien als een illusie die we zelf in stand houden.
Shore vergelijkt onze dagelijkse zijnswijze met een wip die op en neer gaat tussen de extremen van verveling en overdreven geëxalteerdheid. Dagelijks doen we pogingen om een leefbaar evenwicht te vinden tussen die twee uitersten, waarbij we proberen ons al balancerend aan het midden vast te houden. Doelstelling is die gehechtheid uiteindelijk los te laten. Shore geeft terecht aan dat we dat zelf niet kunnen bewerkstelligen en dat de vrucht alleen maar vanzelf kan vallen, op het moment dat ze rijp is. Verveling wordt als verschijnsel onder het licht gehouden en ontmaskerd als een illusie die gecreëerd en in stand gehouden wordt door het zelf (ego).
In het vierde hoofdstuk beschrijft Shore de verschillende stadia die men kan doormaken in zijn/haar ontwikkelingsproces, waarbij hij onder andere het onderscheid maakt tussen ‘samadhi' en ‘dhyana'. Dit hoofdstuk vormt als het ware een plattegrond van zo'n ontwikkelingsproces, met het gevaar dat mensen zichzelf gaan ‘diagnostiseren', en hoewel Shore uitdrukkelijk op dit gevaar wijst, had ik zelf die plattegrond liever niet beschreven gezien. Je zit al vlug met één oog te mediteren en met het andere te kijken waar je je nu op die plattegrond bevindt.
De auteur geeft heel duidelijk aan dat uiteindelijk de zenpraktijk moet uitlopen op wat hij "de verplettering van het ik of het ego" noemt - een "op zichzelf staand ontwaken zonder leraar", een ontwaken tot je eigen vormloze zelf dat ongehinderde rust en vrede genereert.
De fundamentele onvrede die ons leven kenmerkt is de motor die ons doet zoeken, omdat we onszelf "niet genoeg zijn". Shore maakt hierbij onder andere de vergelijking met het volledige verdwijnen in een kunstactiviteit, waarbij we er volledig waren omdat we onszelf volledig verloren. We kunnen niet anders dan onszelf verliezen door los te laten, en dienen uiteindelijk ook het loslaten los te laten.
Een interessant hoofdstuk wordt besteed aan de overdracht van geest tot geest. Als het echte ontwaken het ontwaken van het zelfloze zelf is, wie draagt er dan wat over? Shore benadert hier de gehele overdrachtskwestie van meester naar leerling op een originele manier en put daarbij uit zijn uitgebreide boeddhistisch-geschiedkundig arsenaal.
Dit boek is duidelijk een amalgaam van ‘dharma talks' (teisho of zenpreken) en weldoordacht neergeschreven teksten. Heel wat boeddhistische termen en teksten passeren de revue, een duidelijk blijk van Shore's academische achtergrond (in het laatste hoofdstuk staat hij ons een vrij oppervlakkige autobiografische blik toe op zijn leven). Sommige hoofdstukken zijn zelfs nogal abstract en filosofisch te noemen, en dat is natuurlijk niet ieders ‘cup of tea'. Wat zeker is, is dat Shore terecht wijst op de zelfloze kern van zen - een accent dat binnen de zenliteratuur naast Daisetz Suzuki's boek The Doctrine of No-Mind bijna nergens zo duidelijk is aangebracht.
Dzogchen onderricht
Uitgeverij Asoka, 160 blz., €19,95
ISBN 978-90-5670-224-3
De dzogchenmeester Chögyal Namkhai Norbu werd in 1938 geboren in Oost-Tibet. Hij werkte bijna dertig jaar als hoogleraar aan de Universiteit van Napels en heeft een groot aantal boeken geschreven. Dit boek is een verzameling teksten die eerst als geredigeerde versie van mondeling onderricht zijn verschenen in The Mirror, het tijdschrift van de internationale Dzogchen Community dat door Namkhai Norbu werd opgericht. Deze rijke verzameling leringen heeft Rinpoche over de hele wereld aan zijn leerlingen gegeven om hun begrip van dzogchen te verdiepen, en daar is hij ook in geslaagd. Er bestaat weinig literatuur over deze non-dualistische leer. Daarom is deze Nederlandstalige uitgave welkom. Dzogchen is geen godsdienst of filosofie, maar de essentie van het Tibetaanse boeddhisme. Het is het pad van de spontane bevrijding, dat ons in staat stelt onze ware natuur te ontdekken.
Een belangrijk thema in dit boek is het verschil tussen sutra, tantra en dzogchen. In sutra gaat het vooral over de afwezigheid van een eigen identiteit in alle verschijnselen. De beoefenaar van sutra probeert op het relatieve niveau zoveel mogelijk mededogen te ontwikkelen, terwijl hij aan de andere kant probeert in de absolute staat te verkeren. De methoden van sutra worden omschreven als het pad van verzaking, en wat verzaakt wordt is de relatieve toestand. Het tantra-onderricht wordt gekenmerkt door methoden die behoren tot het pad van de transformatie. Je transformeert het onzuivere in het zuivere en je beschouwt het onzuivere als minderwaardig.
De kenmerkende methode voor dzogchen is het pad van de spontane bevrijding. Bij spontane bevrijding wordt niet uitgegaan van transformatie, waarbij het ene tot het andere wordt omgevormd. Als je in een toestand van contemplatie bent, dan bestaan de begrippen ‘zuiver' en ‘onzuiver' niet meer. In dzogchen wordt het symbool van de spiegel gebruikt om het principe van spontane bevrijding te leren begrijpen. Een spiegel weerspiegelt alles zonder terughoudendheid: mooi, lelijk, groot, klein, zwart, groen; het maakt de spiegel niets uit. Spontane bevrijding betekent dat je niet bezig bent iets te veranderen of te transformeren; je bent gewoon je ware natuur. In dzogchen is de functie van de leraar van het hoogste belang, omdat zijn methoden gebruikt moeten worden in overeenstemming met de ervaringen van de leerlingen.
Dit is een helder en beschouwelijk boek, maar ik vind het jammer dat de praktische beoefening van dzogchen niet aan bod komt. Daarom is deze publicatie vooral geschikt voor degene die meer inzicht wil in het (theoretische) onderscheid tussen sutra, tantra en dzogchen.
Breng me de neushoorn
Servire, 2009, 224 blz., € 14,95
ISBN 9789021545851
Koans zijn hersenbrekers die je dwingen om ‘out of the box' te reageren. In de loop van de zengeschiedenis zijn ze opgedoken en uitgegroeid tot een arsenaal van ongeveer 1700 stuks. Binnen het zenpad naar verlichting (eenheidservaring of volledig egoverlies) worden ze gebruikt als lichtbakens en poortloze poorten. Ze spreken voor velen tot de verbeelding, in de wandelgangen worden er heel wat roddels over verteld en ze worden heden ten dage nog steeds gebruikt om de zenleerling te laten proeven van de oorspronkelijke, onverbrekelijke eenheid. Ze zijn bedoeld om een gevoel op te wekken van ‘eindelijk ben ik thuisgekomen'.
Koans behoren tot het meest raadselachtige dat de mensheid heeft voortgebracht en vormen daarom parels binnen het firmament van het wereldcultureel erfgoed. Een koan kan voor de zoekende mens een startschot zijn dat zijn zoektocht naar het diepste in zichzelf én de ultieme betekenis van zijn leven in gang zet.
Voor elke zenbuitenstaander klinkt een koan als klinkklare nonsens, maar wie vertrouwd wil raken met de betekenis en zin van koans raad ik het boek van John Tarrant ten zeerste aan - al is het maar omdat hij in zijn boek een paar beroemde koans bespreekt die in de top tien van de zenhitparade niet zouden misstaan, zoals ‘laat me je gelaat zien dat je had vóór je ouders geboren waren', ‘heeft een hond ook boeddhanatuur?', ‘geef me de waaier van de neushoorn' en ‘normaal denken is de weg'. Daarnaast bespreekt hij een paar minder bekende koans als ‘geef mij het juiste aantal sterren'. Voor zeningewijden is het dan ook zonder meer leuk en interessant om eens een minder bekende koan uiteengerafeld te zien worden. Tarrant is zelfs zo vermetel om een totaal nieuwe Australische koan uit zijn mouw te toveren.
Als voorgerecht schotelt hij je eerst de koan voor, lardeert die met een al dan niet hedendaags boeddhistisch verhaal, en als toetje beschrijft hij wat die bepaalde koan in je leven zou kunnen betekenen en hoe je ermee om zou kunnen gaan.
Bij de beschrijvingen van de worstelingen die gepaard gaan met het oplossen van de koans gebruikt Tarrant als ervaringsdeskundige zijn eigen opgetekende wederwaardigheden, maar ook de verhalen van leerlingen die hij als zenleraar heeft ontmoet. Deze beschrijvingen omvatten het gehele menselijke spectrum en geven je het gevoel dat je zelf meeloopt met de worstelende koanbevechter. Voorzien van eenvoudig dagelijks taalgebruik zonder dure woorden maken ze het elke lezer moeiteloos mogelijk om te begrijpen en te volgen wat er opgetekend werd. Wat Tarrant door het hele boek heen laat doorschemeren is dat de koan, als een lichtflits in het duister, onze beperktheden oplost en spontaneïteit, humor en relativeringsvermogen naar boven haalt, waardoor er meer innerlijke ruimte en vrijheid ontstaat.
Er is evenwel één grote ‘maar', zoals bij alle zenboeken. Dit boek is een vinger die naar de maan wijst. Verwar de vinger niet met de maan. Verwar de menukaart niet met de maaltijd. Verwacht niet dat, door dit boek te lezen, de antwoorden van anderen jouw antwoorden worden. Dat gezegd hebbende moet ik vaststellen dat Breng me de neushoorn zonder meer een mooie wijsvinger is die naar een volle, niet door wolken omsluierde maan wijst. En wie wil er nu geen neushoorn in zijn boekenkast hebben staan?
Arunachala Shiva
Open Sky Press, 2009
ISBN 978-0-9555730-6-4, 356 blz. + dvd
Premananda, de spirituele leraar die inmiddels het middelpunt van een leefgemeenschap in de buurt van Keulen vormt, publiceerde Arunachala Shiva als onderdeel van een geplande reeks, gewijd aan het leven en werk van Sri Ramana Maharshi. Na eerder al boeken gepubliceerd te hebben met interviews (Papaji Amazing Grace) en eigen teksten (Arunachala Talks), verscheen in 2008 het eerste boek in de reeks over Ramana, Blueprints for Awakening. Het is samengesteld uit dialogen met zestien Indiase meesters op het gebied van de leer van Sri Ramana, steeds op basis van dezelfde twaalf vragen. Een interessante onderneming, hoewel het onduidelijk blijft op grond waarvan Premananda juist deze leraren uitkoos om de leer van Ramana toe te lichten (uitgezonderd misschien Ramesh Balsekar).
Nu is dus deel twee verschenen, ook nu weer fraai vormgegeven met tientallen foto's van Ramana en zijn directe leefomgeving. Het boek is ditmaal opgehangen aan slechts drie personen: David Godman, James Swartz en Premananda zelf. Voor alle drie is Ramana een belangrijke inspiratiebron en levensgids.
In het eerste deel van het boek geeft David Godman, die zelf een aantal boeken over Ramana en diens leerlingen schreef, zijn visie op leven, leer en leerlingen van Ramana. Dat hij al meer dan dertig jaar in de ashram van Ramana woont, is wellicht de reden dat hij met een grote mate van autoriteit over dit onderwerp spreekt. Al eerder is echter gebleken dat Godman het met de feiten soms niet al te nauw neemt en ook nu is dit weer het geval. Zijn bewering dat alle deuren van de grote tempel in Tiruvannamalai spontaan voor Ramana opengingen toen hij daar als jongen van zestien voor het eerst binnenliep en dat Ramana zich de eerste drie of vier jaar van zijn verblijf op en rond de berg nauwelijks van zijn omgeving bewust was, zijn op zijn minst als zeer speculatief te betitelen.
Deel twee van het boek bestaat uit Who Am I?, een originele tekst van Ramana zelf, bestaande uit de antwoorden die hij als 22-jarige gaf als reactie op vragen van een van zijn vroegste leerlingen. In de jaren twintig redigeerde Ramana de hele tekst nog eens, wat het tot een sleutelwerk van de meester zelf heeft gemaakt.
Deel drie bevat commentaren van Godman, Swartz en Premananda op teksten van Ramana (waaronder weer Who Am I?), zijn verlichting en de wijze waarop Zelfonderzoek uitgevoerd dient te worden. De auteurs spreken met een zekere autoriteit, maar kunnen het gevoel toch niet wegnemen dat Ramana's eigen woorden op zichzelf voldoende zeggingskracht bezitten en dat het bijgeleverde commentaar eigenlijk niet veel toevoegt aan die zeggingskracht.
Het laatste deel van Arunachala Shiva beschrijft de levensverhalen van Godman, Swartz en Premananda. Met name dat van Swartz, een gewezen zakenman en hippie, leest als een spannend jongensboek. De verhalen zetten de voorafgaande teksten in een context die ze meer reliëf geeft en zijn zeker interessant te noemen voor lezers die geïnteresseerd zijn in biografische achtergrondinformatie. Maar ook hier komt al snel de vraag op: wat maakt deze levens interessanter dan die van zoveel andere zoekers?
Al met al kan gezegd worden dat Arunachala Shiva zeker wat toevoegt aan de enorme hoeveelheid materiaal over Ramana Maharshi dat de afgelopen jaren verschenen is en dat het bijgevoegde beeldmateriaal de moeite waard is om te bekijken. Maar ook hier geldt: hoe meer water er bij de originele Ramanawijn gegoten wordt, hoe dunner hij uiteindelijk lijkt te worden.
Nisargadatta Maharaj
De bron van het zijn
Uitgeverij Advaita, 128 blz., € 15,00
ISBN 978-90-77194-07-2
In de inleiding heeft Douwe een korte biografie over het leven van Nisargadatta Maharaj opgenomen. Dat maakt het boek ook toegankelijk voor degenen die nog niet van deze leraar gehoord hebben. Nisargadatta raakte in 1973 bekend door het boek I Am That. Veel westerlingen trokken naar India om hem te bezoeken. Wolter Keers noemde Maharaj ‘de Oude Tijger van Bombay'. Door zijn briesen werden gekoesterde ideeën, overtuigingen en dogma's weggeblazen. Degenen die vasthielden aan hun meningen en opinies verdwenen met de noorderzon, maar bij de meeste mensen die bleven ontstond een diep inzicht. Maharaj sprak vrijwel uitsluitend over de essentie van zijn boodschap: keer terug naar het gevoelsmatig besef ik-ben, totdat je dit eerste-persoons-zijn, zonder invulling en zonder grenzen, innerlijk duidelijk ervaart. Bij meditatie op het ik-ben is er een steeds verder loslaten van de verschijnselen waarmee ‘ik' geïdentificeerd is. Deze verschijnselen, zoals lichaam, emoties en gedachten, worden dan herkend als objecten waar het ik vrij van is.
Het boek bestaat uit twaalf hoofdstukken, die los van elkaar gelezen kunnen worden. In de periode dat deze gesprekken opgenomen werden, was Nisargadatta al sterk verzwakt door keelkanker. Het spreken kostte hem steeds meer moeite. Daarom was zijn benadering kernachtig en to the point. Zijn doel was om de vraagsteller te brengen naar een staat die aan alle voorwaarden en omstandigheden voorafgaat. Alle overbodige franje werd weggelaten, alleen de essentie bleef over. Je kunt hem vergelijken met een chirurg die alle kankerplekken wegsnijdt. Zo zegt hij tegen een bezoeker: "Als je zegt dat je getuige van iets bent, is er nog steeds een identificatie met het lichaam en de geest. Bewustzijn wordt zelfbewustzijn. Dat is de getuige. Als er geen zelf is waarvan je je bewust bent, is er geen getuige-zijn van iets."
Dankzij deze nieuwe uitgave kunnen we opnieuw proeven van het heldere en radicale onderricht van deze grote advaita-meester.
Premananda
Arunachala Shiva
Open Sky Press, 2009
356 blz. + dvd
ISBN 978-0-9555730-6-4
Premananda, de spirituele leraar die inmiddels het middelpunt van een leefgemeenschap in de buurt van Keulen vormt, publiceerde Arunachala Shiva als onderdeel van een geplande reeks, gewijd aan het leven en werk van Sri Ramana Maharshi. Nadat eerder al boeken gepubliceerd waren met interviews (Papaji Amazing Grace) en eigen teksten (Arunachala Talks), verscheen in 2008 het eerste boek in de reeks over Ramana, Blueprints for Awakening. Het is samengesteld uit dialogen met zestien Indiase meesters op het gebied van de leer van Sri Ramana, steeds op basis van dezelfde twaalf vragen. Een interessante onderneming, hoewel het onduidelijk blijft op grond waarvan Premananda juist deze leraren uitkoos om de leer van Ramana toe te lichten (uitgezonderd misschien Ramesh Balsekar).
Nu is dus deel twee verschenen, ook nu weer fraai vormgegeven met tientallen foto's van Ramana en zijn directe leefomgeving. Het boek is ditmaal opgehangen aan slechts drie personen: David Godman, James Swartz en Premananda zelf. Voor alle drie is Ramana een belangrijke inspiratiebron en levensgids.
In het eerste deel van het boek geeft David Godman, die zelf een aantal boeken over Ramana en diens leerlingen schreef, zijn visie op leven, leer en leerlingen van Ramana. Dat hij al meer dan dertig jaar in de ashram van Ramana woont, is wellicht de reden dat hij met een grote mate van autoriteit over dit onderwerp spreekt. Al eerder is echter gebleken dat Godman het met de feiten soms niet al te nauw neemt, en ook nu is dit het geval. Zijn bewering dat alle deuren van de grote tempel in Tiruvannamalai spontaan voor Ramana opengingen toen hij daar als jongen van zestien voor het eerst binnenliep en dat Ramana zich de eerste drie of vier jaar van zijn verblijf op en rond de berg nauwelijks van zijn omgeving bewust was, is op zijn minst als zeer speculatief te betitelen.
Deel twee van het boek bestaat uit Who Am I?, een originele tekst van Ramana zelf, bestaande uit de antwoorden die hij als 22-jarige gaf als reactie op vragen van een van zijn vroegste leerlingen. In de jaren twintig redigeerde Ramana de hele tekst nog eens, wat het tot een sleutelwerk van de meester zelf heeft gemaakt.
Deel drie bevat commentaren van Godman, Swartz en Premananda op teksten van Ramana (waaronder weer Who Am I?), zijn verlichting en de wijze waarop Zelfonderzoek uitgevoerd dient te worden. De auteurs spreken met een zekere autoriteit, maar kunnen het gevoel toch niet wegnemen dat Ramana's eigen woorden op zichzelf voldoende zeggingskracht bezitten en dat het bijgeleverde commentaar eigenlijk niet veel toevoegt aan die zeggingskracht.
Het laatste deel van Arunachala Shiva beschrijft de levensverhalen van Godman, Swartz en Premananda. Met name dat van Swartz, een gewezen zakenman en hippie, leest als een spannend jongensboek. De verhalen zetten de voorafgaande teksten in een context die ze meer reliëf geeft en zijn zeker interessant te noemen voor lezers die geïnteresseerd zijn in biografische achtergrondinformatie. Maar ook hier komt al snel de vraag op: wat maakt deze levens interessanter dan die van zoveel andere zoekers?
Al met al kan gezegd worden dat Arunachala Shiva zeker wat toevoegt aan de enorme hoeveelheid materiaal over Ramana Maharshi dat de afgelopen jaren verschenen is en dat het bijgevoegde beeldmateriaal de moeite waard is om te bekijken. Maar ook hier geldt: hoe meer water er bij de originele Ramana-wijn gegoten wordt, hoe dunner hij uiteindelijk lijkt te worden.
Han van den Boogaard
-------------------------
Jeff Foster
Leven zonder middelpunt
Uitgeverij Samsara, 2010
211 blz., € 19,90
ISBN 978-90-77228-84-5
Het is altijd een plezier om een boek ter hand te nemen dat vanuit helderheid geschreven is. Het boek van Jeff Foster is er zo een. Ik heb de jongeman (hij is 30 jaar) nog nooit ontmoet, maar door even in zijn boek te grasduinen wordt snel duidelijk dat er in zijn woorden elementen zitten van klaarheid en ongedwongenheid die in de spirituele literatuur nog steeds zeldzaam zijn, ondanks het modewoord ‘non-dualiteit', dat door veel auteurs nogal gemakkelijk gebruikt wordt zonder de ware betekenis ervan te kennen.
Dit boek is geschreven als een uitnodiging om ‘thuis te komen', maar wil geen verzameling ideeën zijn om mentaal te herkauwen. Het gaat hier niet over het aannemen van nieuwe overtuigingen en ook niet over leven in het nu, meditatie of het aanleren van nieuwe spirituele oefeningen. Evenmin is hier sprake van een veroordeling van het zoeken, of van enige religie of geloofssysteem. Spirituele zoektochten zijn - net zoals het verlangen naar materiële rijkdom of succes - volgens de auteur niets meer of minder dan een verlangen om thuis te komen, een wanhopige poging om je te herinneren wie je werkelijk bent voorbij naam en vorm, voorbij gedachten en concepten.
Jeff Foster worstelde met een diepe depressie, totdat hij ontdekte dat er geen persoon was die depressief was. Die gevoelens van depressie waren er wel, maar de Jeff die ze zou bezitten, die was onvindbaar. Wat schiet er dan nog over? Er is dan alleen maar dat wat er is - wat dat ook mag zijn. Vreugde, pijn, het gezoem van een computer, extase, verdriet, getintel in je voet. En dat wat er is, is niet gescheiden van wie of wat dan ook. "Eenheid is alles wat er is." En dan stopt de zoektocht automatisch. Het ontdekken van het Ene kan dan ook niet zonder het inzicht dat de persoon een concept is. Dit heeft tot gevolg dat er geen persoon is die ‘verlichting' ooit moet zien te bereiken. Dat, en niet een of andere speciale bewustzijnsstaat, is de verlichting waar Jeff naar verwijst. En deze verlichting is dan ook het meest doodgewone wat er bestaat. Hij schrijft: "Dit alledaagse leven, dat is alles wat er is."
Jeff brengt de lezer telkens opnieuw bij de gewoonheid van het dagelijks leven en wijst erop dat de ultieme bevrijding inderdaad ligt in dat dagelijkse ‘gewone' bestaan, ver van alle spirituele materialisme. Dat het belang van de persoon als centrum van de wereld compleet ter discussie gesteld
wordt, is voor de meeste lezers misschien een probleem, maar Jeff zal er steeds op terugkomen dat de persoon niet meer is dan een gedachte, een gewoonte, een aangepraat beeld dat zichzelf blijft aanprijzen.
Ook het idee ‘ooit verlicht te worden' is een zoveelste illusie voor de ‘professionele' spirituele zoeker. Jeff maakt duidelijk dat dit weer een voorbeeld is van de persoon die speciaal wil zijn, die zichzelf hoger wil plaatsen dan de anderen, en dus gescheiden is van anderen, terwijl in non-dualiteit die scheiding nu juist wegvalt.
Jan Kersschot
----------------------------------------
Maarten Houtman en Nico Tydeman
Geen meester, geen leerling - Gesprekken over het hart van meditatie
Uitgeverij Asoka, 2010
168 blz., € 16,95
ISBN 978 90 5670 236 6
Zelden heeft men de kans om twee gerenommeerde zenbeoefenaars informeel met elkaar te horen spreken over hun passie: zenmeditatie. Het behoeft geen betoog dat het hierbij gaat om, althans zeker in Nederland, bekende zenfiguren die elkaar tijdens weekenden informeel ontmoetten en hun gesprekken ook opnamen. Het klinkt bijna alsof je als stiekeme niet-ingewijde achter de muur stilletjes meeluistert. Opmerkelijk is dat beide figuren elkaar nooit bestrijden, noch hun gelijk willen halen, maar integendeel elkaars standpunten voortdurend trachten te verhelderen middels geïnteresseerde en betrokken vragen en antwoorden. Des te opvallender is dit omdat de ene figuur gekarakteriseerd kan worden als iemand die zichzelf volgt en zoekt buiten enige traditie, en de andere als iemand die binnen de zentraditie zoekt. Hierdoor ontstaat er een spanningsveld waarin kruisbestuiving optreedt. Het ‘niet-weten' loopt bij beide figuren als een rode draad door hun hele verhaal heen en zet vraagtekens bij alle zekerheden die men omtrent zen en mediteren in het algemeen zou kunnen hebben.
In het eerste hoofdstuk, ‘Aandacht', lezen we over een man die voor Houtman dé veruiterlijking en verwezenlijking van aandachtig zijn in het hier en nu vertegenwoordigt. Tot op de bodem wordt dit onderwerp uitgespit met heel veel aandacht voor de aandacht. Wat is aandacht binnen en buiten het zitten? Daarnaast komen ook vragen als ‘Wat is belangrijk en onbelangrijk?', ‘Waar begint meditatie?' en ‘Wat moet je doen of laten tijdens zazen?'. De auteurs aarzelen niet om de kwetsbaarheid van het leraarschap voorop te stellen als conditio sine qua non en hun eigen beperktheden voor het voetlicht te brengen. Ook het begrip ‘discipline' passeert de revue - zen wordt immers vaak omschreven als een strakke volhardende oefening. De auteurs proberen hiermee de tweespalt tussen ‘jezelf discipline opleggen' en ‘niet-anders-kunnen-als-behoefte' te belichten: willen versus moeten, zelfverwerkelijking versus genade.
De titel van het boek krijgt in de verschillende hoofdstukken weerklank door het telkens opnieuw aangeven en beschrijven van de beperkingen waar de zenleraar ongewild mee door het leven gaat en van de gevaren van de dynamiek tussen leraar en leerling. Dit werkt verhelderend en vormt een welkom tegengif tegen al te idealistische voorstellingen van hoe zenmeesters zouden moeten zijn. Langzaam wordt het de lezer steeds duidelijker dat je uiteindelijk weinig kunt doen of bewerkstelligen. Het spirituele pad dat je bewandelt ligt ingebed in niet-weten, niet kunnen bewerkstelligen, overgeleverd zijn aan. Het klinkt bijna als een hopeloze weg. Reden te meer om dit boek niet toe te vertrouwen aan de ‘noviet', maar wel aan de ‘gevorderde' zenbeoefenaar, opdat die er zijn eigen weg in kan herkennen. Dit boek vormt een parel in de zenliteratuur en werpt ongetwijfeld een nieuw, verfrissend licht op ieders zenpad.
Rogel Dias
-------------------------
J.C. Amberchele
Het licht dat ik ben
Uitgeverij Servire, 219 blz.
ISBN 978-90-21547-59-6
J.C. Amberchele is het pseudoniem van iemand die al meer dan twintig jaar in een moeilijk toegankelijke Amerikaanse gevangenis zit. Hij moet een levenslange gevangenisstraf uitzitten. Er is weinig over hem bekend, maar frappant is dat hij in een zeer vijandige omgeving tot helder inzicht is gekomen. De hoofdloze experimenten van Douglas Harding brachten een ommekeer in hem teweeg. Hij zag zichzelf als ‘Ruimte' waarin de wereld kon verschijnen, Ruimte die actief deelneemt aan de schepping van diezelfde wereld. Zich hier bewust van blijven was de volgende stap.
Amberchele beschrijft hoe hij in de loop der tijd een aantal medegevangen heeft laten proeven van de hoofdloze experimenten, en in het hoofdstuk ‘Brieven van thuis' beschrijft hij hoe hij in de bezoekersruimte van de gevangenis zijn depressieve dochter laat kennismaken met een van de experimenten van Harding. Toen ze met haar wijsvinger naar zichzelf wees, sprongen de tranen in haar ogen en besefte ze dat dat wat ze toen zag er altijd al geweest was. In de daaropvolgende weken schreef ze aan haar vader hoezeer dit experiment haar leven had veranderd.
In de epiloog beschrijft Richard Lang hoe hij in de lente van 2003 een artikel van Amberchele ontving (dat opgenomen werd in de InZicht van mei 2004) en hem een paar maanden later opzocht in de gevangenis. Het bleek een man te zijn van circa zestig jaar met grijs haar en een open gezicht. Amberchele was ontroerd door het bezoek van Richard, maar ook door de schoonheid en de oneindige diepte van wat zij deelden. Ze waren zich allebei bewust van hun ware aard. Kort nadien ontving Richard een brief van hem waarin hij schreef: ".... Ik weet dat ik hier alleen in sta, maar het is toch prettig om niet alleen te zijn - en daar was jij, tegenover mij zittend en gloeiend van Zien! Wat fantastisch! ...."
De hoofdstukken in het boek staan helemaal op zichzelf en kunnen in willekeurige volgorde gelezen worden. Interessant is dat de experimenten van de Hoofdloze Weg van Douglas Harding in de appendix vermeld staan. Deze uitgave is een mix van biografisch materiaal en beschrijvingen van onze ware aard. Het boek is tragisch, aangrijpend en bevrijdend tegelijk. Amberchele beseft ten volle dat de smerige en vuile gevangenis waar hij in leeft, en waarin agressie, stress en chaos troef zijn, verschijnt in de Open Ruimte die hij is. Hoe erg de omstandigheden ook zijn, hij is degene die dit alles Ziet en die onveranderlijk is. Dit is een boek dat je niet onberoerd laat.
Danny Senesael
---------------------------
Bieke Vandekerckhove
De smaak van stilte. Hoe ik bij mezelf ben gaan wonen.
Uitgeverij Ten Have/Lannoo, 2010
ISBN 9789059959798, 160 blz., € 16,95
Wat doe je als je voelt dat verlammingsverschijnselen geleidelijk aan je bewegingen onmogelijk maken en de dokter je nog hooguit een paar jaar te leven geeft?
Bieke Vandekerckhove was 19 jaar oud, studente psychologie in Leuven, toen ze te horen kreeg dat ze leed aan de gevreesde ziekte ALS. Tegen de voorspellingen in bleek na 3 jaar dat de ziekte om onverklaarbare redenen was stilgevallen, doch op elk moment opnieuw de kop kon opsteken. Ondertussen was ze reeds zwaar gehandicapt, onder meer verlamd aan beide armen, waardoor de meest elementaire handelingen als eten, wassen en zich aankleden niet meer zonder hulp mogelijk waren.
Dat nu 20 jaar na deze dramatische gebeurtenis van haar toch een boek verschijnt is opmerkelijk. Opmerkelijk niet alleen omdat zij in deze omstandigheden de kracht vond om het te gaan schrijven, maar vooral omdat door de tekst heen allerminst het beeld van een verslagen vrouw naar voren komt, maar van iemand die ondanks haar zware handicap met veel wijsheid en mededogen in het leven staat.
Het boek bestaat uit korte stukjes met bespiegelingen over leven en dood, geluk, verveling, liefde en vertrouwen. Af en toe laat ze iets los over haar ziekte. De ontreddering, de woede en de wanhoop die deze teweegbracht - hoe weinig ze had aan de antwoorden waarmee de wetenschap of de religie komen aandragen. "Als het lijden rauw in je vel snijdt, is elke verklaring ervan absoluut onverdraaglijk."
Maar ook en vooral schrijft ze over de wonderlijke ommekeer die haar midden in een gigantische depressie weer tot leven bracht. "Eigenlijk was ik al dood nog voor ik zou sterven. Toen gebeurde iets eigenaardigs dat ik nog altijd niet kan bevatten. Iets in mij wilde de stilte in, ook al begreep ik niet waarom."
Die stilte werd haar redding - de stilte en de eenzaamheid die ze leerde waarderen in het benedictinessenklooster van Egmond-Binnen, bij de trappisten in Westvleteren en later toen ze bij Ton Lathouwers het zenboeddhisme leerde kennen en de stille zenmeditatie ging beoefenen. De benedictijnse spiritualiteit en het zenboeddhisme werden en zijn de twee longen waarmee ze voortaan ademt, beweert ze.
Het stond allemaal haaks op haar eerste reactie toen zij het vonnis van haar ziekte vernam, namelijk nog vlug proberen te genieten van alles wat het leven kon bieden - ingaan op de gulzigheid waar het moderne leven op draait. "Ik wilde alles. Hier. Nu. Onmiddellijk" Dit bleek een doodlopende weg: in plaats van soelaas bracht het haar op een punt waar ze in pure wanhoop niets meer wilde en dacht alles kwijt te zijn. Maar precies daar loste de kramp op en vond ze alles op een nieuwe manier terug.
Treffend hierbij is wat ze schrijft over de sprong in het niet-weten. In een aangrijpend hoofdstuk beschrijft ze hoe door haar ziekte al haar opvattingen en ideeën die een houvast boden plots wegvielen. Maar wat eerst een pure verschrikking was, bleek later het meest bevrijdende te zijn en een ommekeer die ingrijpender was dan haar ziekte zelf. "Nooit meer wil ik terug in het keurslijf van begrippen. In plaats van in een leven van etiketten te leven kreeg ik toegang tot het leven zelf."
‘De smaak van stilte' straalt zoveel authenticiteit uit dat het de lezer diep ontroert en tegelijk een spiegel voorhoudt voor zijn eigen leven. Een eerlijke getuigenis die zoekende of lijdende mensen kan bemoedigen en inspireren.
Raf Pype
--------------------------
Soumya Koning
Dans van openheid
Uitgeverij Boekenbent, Barneveld
350 blz.
ISBN 978-90-85704-73-7
Dit boek is een beschrijving van de innerlijke reis van de Nederlandse Soumya Koning. Haar queeste is een tocht van zelfgecreëerde verhalen en aannames naar de open geestesruimte die alles omvat. Die zoektocht begon met een onbevredigd verlangen naar liefde, vrede, harmonie en eenheid. Onderweg ondervond ze veel steun, vooral van haar spirituele leraar ShantiMayi. Ze reist regelmatig naar India om er haar goeroe te ontmoeten. Af en toe komt ShantiMayi naar Nederland en Frankrijk, wat voor Soumya mooi meegenomen is.
Haar reis omschrijft ze als heilig, omdat die gericht is op de heelwording van haar wezen in al haar aspecten. Met vallen en opstaan leert Soumya om haar angsten en verlangens los te laten. Tegelijk onderzoekt ze haar weerstand tegen het eerlijk onderzoeken van weerstanden, tegen hard werken, tegen onrust en lawaai. De confrontatie met weerstanden is interessant, omdat ze je laten zien waar je niet onderuit kunt. Het gaat niet om acceptatie, noch om onderdrukking of verandering. Je bewust zijn van weerstand is genoeg. Die weerstand mag er zijn, want jij bent het niet. Zien dat er alleen maar gewaarzijn is betekent zien dat daarin al het andere bestaat.
De ontmoeting van Soumya Koning met de Tibetaanse non Tenzin Palmo is dieper gegaan dan ze had gedacht. Tenzin Palmo is zeer open en welbespraakt en er is geen enkel decorum rond haar zoals bij ShantiMayi. Ze voelt zich erg door de humoristische soberheid van Tenzin Palmo aangetrokken, maar ze voelt zich ook aangetrokken tot de romantiek die rond ShantiMayi hangt.
Dans van openheid is meer dan een autobiografie. Het boek bevat ook een aantal uitspraken, waarvan de meeste afkomstig zijn van ShantiMayi, die als meditatie gebruikt kunnen worden, zoals: "Als je het geheel dient, dien je ook jezelf. Als je iets niet kunt doen, moet je het niet doen. Als je wel iets kunt doen, doe het dan. Simpel. Vertrouw erop dat het universum altijd alles doet wat moet gebeuren." Het verhaal in dit boek is ingetogen en intiem. Juist daardoor is het zo herkenbaar. Het is vlot geschreven en is in staat verwondering, verstilling en openheid bij de lezer teweeg te brengen.
Danny Senesael
---------------------------
Robert Hartzema
De Ruimte van gewaarzijn
Uitgeverij Karnak 2010, 334 blz.
ISBN 978-90-6350-101-3
Dit nieuwe boek van Robert Hartzema gaat over de essentiële inzichten en oefeningen uit de dzogchen-traditie. Dzogchen is de bij uitstek non-dualistische stroming in het Tibetaanse boeddhisme, ontstaan in de 3e of 4e eeuw na Chr. als een directe weg naar bevrijding. De ruimte van Gewaarzijn is een (geslaagde) poging om voor westerse lezers op een begrijpelijke manier deze inzichten weer te geven en ermee te gaan werken. Zoals de titel het aangeeft gaat dit boek specifiek over het ruimteaspect: het ontdekken van de verschillende dimensies van ruimte. Het is het eerste deel van een geplande trilogie, waarin een tweede boek gewijd zal worden aan het dynamische aspect van de tijd en een derde deel aan de verschillende dimensies van bewustzijn.
Het ontdekken van ruimte is in veel spirituele tradities essentieel (denk bijvoorbeeld aan kashmir-yoga of aan de The headless way van D. Harding). Schreef ook de Middelnederlandse mystica Hadewijch al niet: "Alle dinghe sijn mi te inghe, Ic ben só wijt!"?
Wat echter opvalt bij dzogchen is hoe grondig en genuanceerd in deze traditie wordt ingegaan op de verschillende niveaus van ruimte. Deze niveaus worden stapsgewijs ontdekt, vanaf het ervaren van ruimte in de dualistische zin, zoals de ruimte om je heen of de ruimte rondom objecten, tot de allesdoordringende non-duale Ruimte van het bewustzijn zelf.
Het eerste - zeg maar dualistische niveau - spreekt onder andere over de innerlijke ruimte van het lichaam en de ruimte in het ademen. Interessant is dat hier en in de rest van het boek telkens oefeningen aangereikt worden die je de mogelijkheid bieden om deze ruimte te ontdekken en ermee te experimenteren. Als ervaren therapeut geeft Hartzema hierbij ook aan hoever je in deze oefeningen kunt gaan en - niet onbelangrijk - welke de mogelijke gevaren en valkuilen zijn. Daarnaast komen fundamentele vragen aan bod, zoals de vraag in hoeverre de fysieke objecten concreet (werkelijkheid) zijn en de vraag in hoeverre je grenzen kunt of moet stellen in relatie met anderen.
Deel twee van het boek gaat een stap verder, waar het gaat over het beleven van de 'tussenruimte' (het ‘bardo' van de Tibetanen). "De werkelijkheid is eigenlijk een gatenkaas, vol met openingen en tussenruimten die zicht bieden op een verscheidenheid van andere dimensies van Zijn." In dit boek gaat het dan voornamelijk over de ruimte tussen twee gedachten en de bewustwording dat gedachten niet als een ketting aan elkaar hangen, maar gescheiden worden door tussenruimten die nieuwe mogelijkheden scheppen - mogelijkheden om los te komen van de enorme zuigkracht van onze gedachten en de daarmee samenhangende "superluchtbel van het ik". Deze ruimten dringen veel verder in ons door dan de dualistische ruimte, die altijd in tegenstelling staan tot iets anders.
Dat het zich openstellen voor deze diepere ruimten ook angst kan oproepen is aannemelijk. De meest diepliggende angst, die voor de volstrekte leegte, voor het niet-zijn of de dood, kan niet zomaar opzij worden gezet. "Alleen wanneer je op dit moment de directheid van het ervaren vanuit het nu-dood-zijn ervaart, zie je het heden in het juiste licht. De rest is zelfbedrog." (p. 272)
In deel drie komen we dan uiteindelijk bij de Ruimte van het gewaarzijn - de Ruimte met hoofdletter. Deze allesomvattende dimensie van ruimtelijkheid heeft geen kenmerken en kan geen 'ervaring' zijn, maar wordt geleidelijk aan steeds meer zichtbaar. Alhoewel ze dus op geen enkele manier ‘gekend' kan worden, zijn er bepaalde kwaliteiten waaraan die Ruimte herkend kan worden. Door het aanduiden van deze kwaliteiten reikt dzogchen de hulpmiddelen aan om iets over te dragen van dat wat wezenlijk geen woorden, geen vormen, geen kenmerken heeft. Zo spreekt Hartzema, in navolging van de veertiende-eeuwse Tibetaanse leraar Longchenpa, over verschillende kleuren als mogelijke beleving van Ruimte.
De Ruimte van gewaarzijn is een rijk boek waar je een hele tijd mee toe kunt, een echt werkboek dat erom vraagt meermaals gelezen te worden. Prima oefeningen laten je de vele lagen van ruimte ontdekken, ook al wordt het helder dat de non-duale Ruimte niet van oefeningen afhankelijk is. Tegelijk is duidelijk dat hier een specifieke weg getoond wordt die, zoals elke authentieke weg, om volledige inzet vraagt.
Raf Pype
-------------------------
Adyashanti
Het einde van je wereld
Samsara Uitgeverij bv, 2010, 232 blz.
ISBN 978-90-77228-86-9
Ondanks zijn Indiaas aandoende naam is Adyashanti een Amerikaanse leraar. Hij is geworteld in het zenboeddhisme en bedient zich van de taal van de advaita vedanta. Sinds 1996 geeft hij satsangs in Californië. Dit boek is zijn vijfde (en het derde boek dat door Samsara in het Nederlands wordt uitgegeven). Als ondertitel heeft het Klare taal over de aard van verlichting. Nogal een belofte, maar Adyashanti maakt het waar. Hij is een van de leraren die het lukt het uiterst subtiele in eenvoudige taal te vatten en intussen met elk woord de spijker op zijn kop te slaan. Het spirituele jargon wordt zoveel mogelijk omzeild en zijn taalgebruik is eerder kneuterig dan verheven te noemen (hij heeft een voorkeur voor woorden als "weird" en "groovy"). Lezers van de Nederlandse versie missen dit element uiteraard. Jammer, maar niet onoverkomelijk, want de vertaling (door Prema van Harte) is voortreffelijk. Het boek richt zich in eerste instantie op de valkuilen die na de verlichtingservaring op de loer liggen. Want een dergelijke ervaring, zo zegt Adyashanti, is zelden volledig. Meestal openbaart zich een onbekende weg, waarop alle oude conditioneringen in botsing komen met de nieuwe inzichten. Op die weg ligt het ego nog steeds op de loer en zal het zijn uiterste best doen de verlichte staat op te eisen en zodoende aan het roer te blijven.
Adyashanti behandelt per hoofdstuk de verschijnselen die zich daarbij aan de kersverse verlichte kunnen voordoen. Hij spreekt onder andere over wat er gebeurt wanneer de euforie over de verlichting voor de verlichting zelf wordt aangezien. Wanneer deze toestand wegvalt, zal men snel denken 'het' kwijt te zijn en proberen de ervaring terug te halen. Eenheid staat dan ineens zij aan zij met de begoocheling, wat voor de nodige verwarring kan zorgen. Een ander verschijnsel doet zich voor als het oude is losgelaten maar een nieuwe levenssturende energie nog niet beschikbaar is. Men voelt zich dan vaak slechter af dan voor de ervaring. Alle oude mechanismen zijn nog actief, maar missen de bezieling. Passies en hobby's lijken ineens leeg en zinloos, wat het idee kan geven dat er iets vreselijk fout is gegaan.
Ook waarschuwt Adyashanti voor de verleiding je terug te trekken in het Absolute. Na de bevrijding van verlichting kan het zijn dat het opnieuw opgedoken ego niet meer met de pijn van het zelfonderzoek geconfronteerd wil worden. Het neemt dan afstand van alle neigingen van de persoonlijkheid en verweert zich met het (op zich juiste) argument geen persoon te zijn. De vrijheid ligt echter in het onder ogen kunnen zien van alles, abjecte overtuigingen en daden incluis. Verlichting kan ook een superioriteitsgevoel ten opzichte van de medemens teweegbrengen, of een wanhopig verkrampen van het ego, en het kan het lichaam zwaar belasten als de energie die het ego in stand hield vrijkomt (een proces dat Adyashanti "een vernieuwd bedraden" noemt). Op al deze punten wordt uitgebreid ingegaan, met voorbeelden uit Adyashanti's sangha, maar ook uit zijn eigen ervaring.
Moeilijke onderwerpen, zoals de vraag of verlichting voortkomt uit inspanning of uit genade, weet hij op bevredigende wijze te bespreken (hoewel er uiteraard geen eenduidige conclusie getrokken kan worden), iets waar maar weinig leraren in slagen.
Het boek is ook voor degenen voor wie het verlichtingsmoment nog niet heeft plaatsgevonden zinvol om te lezen. In de inleiding benadrukt Adyashanti: "Wat na de verlichting gebeurt heeft betrekking op wat er voor de verlichting plaatsvindt." Het gaat hem erom voortdurend helder te blijven zien. En de misvattingen die daarmee ontzenuwd worden, voor of na de verlichting, zijn verrassend identiek.
Frans Hasselaar
-------------------------
Sally Bongers
Alledaagse verlichting
Samsara Uitgeverij bv, 2010, 146 blz.
ISBN 978-90-77228-46-3
Wat een interessant uitgangspunt voor een boek. Een documentaire over verlichte leraren (The Enlightenment Project) bracht filmer Sally Bongers op het idee ook eens gewone mensen in de eenheidsstaat te interviewen - mensen die geen lesgeven of boeken schrijven, maar van wie het leven na de verlichtingservaring eigenlijk nauwelijks veranderd is.
In Alledaagse verlichting tekent ze gesprekken op met zeven 'gewone' mensen. Ik gebruik aanhalingstekens omdat geen van de geïnterviewden van de straat is. Zo vinden we twee kunstenaars, een psychotherapeut, een beleidsadviseur en een belastinginspecteur onder hen. Ook bedient vrijwel iedereen zich van een helder spiritueel jargon. Voor de meesten kwam de waarheid dan ook niet als een bliksemflits bij heldere hemel, maar hadden ze een lange weg als zoeker achter zich. Ze lazen werk van spirituele leraren of bezochten hun bijeenkomsten (Tony Parsons wordt in vrijwel elk interview genoemd). Soms was de aanzet eenvoudige interesse, soms een gevoel van gemis en in een enkel geval een tot drugsgebruik leidende wanhoop.
De interviews bestaan eigenlijk uit twee delen: het verhaal van voor en na de verlichting, en de eigen gedachten die men over de verlichte staat heeft. Het is fascinerend deze verhalen bij elkaar te zien, omdat er zoveel overeenkomsten zijn. Zo beroept niemand zich persoonlijk op de lange weg die men is gegaan. Het zoeken heeft niet rechtstreeks geleid tot het vinden; men is gevonden. Ook verklaren alle geïnterviewden dat er zo weinig veranderd is. Van buitenaf gezien zijn ze dezelfden. Men is niet tactischer, serener of minder slordig geworden. De activiste blijft sociaal bewogen en de belastinginspecteur heeft nog steeds aanvallen van angst, maar het grote verschil is dat het eigen gedrag nu met meer distantie wordt gadegeslagen. Er is een achtergrond van rust die niet meer kan worden verstoord. In twee gevallen komt zelfs de dood van een naaste ter sprake, waarbij weliswaar verdriet, maar geen conflict gevoeld werd.
Soms is er nog identificatie met de persoonlijkheidsstructuur, maar die is nooit van lange duur, omdat er een cruciale grens is gepasseerd. Er is niemand meer om gedrag te beïnvloeden, maar het gedrag wijzigt zichzelf. Onzuiver gedrag wordt eenvoudigweg niet meer door het eigen wezen getolereerd, zoals men geen biertje meer binnenhoudt na het slikken van een antialcoholpil. Ook is er meer aandacht voor het kleine: er kan uren naar veranderende schaduwen op een muur worden gekeken of naar vogels in de lucht. Nu er zoveel spanning is weggevallen, heeft men opeens de beschikking over een onuitputtelijke voorraad energie.
Alledaagse verlichting bevat prachtige verhalen die de zoeker in de verleiding zouden kunnen brengen bepaalde aspecten te kopiëren, ware het niet dat alle geïnterviewden de nadruk leggen op het specifieke karakter van hun ervaringen. Nergens wordt de eigen weg als voorbeeld gepropageerd. Een mooi boekje waarin zeven stemmen spreken als één.
Frans Hasselaar
------------------------
De Nisargadatta Gita
Korte teksten van Nisargadatta Maharaj,
samengesteld en van commentaar voorzien door Pradeep Apte
Uitgeverij Juwelenschip, 2010, 160 blz., € 19,90
ISBN 978-90-215-6141-7
De Nisargadatta Gita is geheel gewijd aan het kerngevoel ‘er te zijn', ofwel ‘ik ben'. Dit gevoel, en de manier waarop Nisargadatta er aandacht aan besteedde, laat geen twijfel dat het de essentie vormde van het onderricht van deze beroemde Indiase leermeester. Het is dan ook ongetwijfeld om die reden dat dit boek slechts één hoofdstuk bevat, getiteld ‘IK BEN', bestaande uit 231 korte citaten van Nisargadatta over dit thema, van commentaar voorzien door Pradeep Apte.
Op zichzelf is het achter elkaar plaatsen van uitspraken van Nisargadatta een riskante onderneming, omdat de context van die uitspraken onzichtbaar blijft. Je kunt eigenlijk niet weten wat hij precies bedoeld heeft, tenzij de context erbij gegeven wordt. Je bent zo wel erg afhankelijk van het commentaar van samensteller Apte om de betekenis van de woorden van de meester te kunnen invoelen en op hun waarde te schatten. Aan de andere kant hadden de dialogen die Nisargadatta voerde nogal eens de neiging om, zoals vertaler Wybe van der Kemp terecht in zijn voorwoord opmerkt, "alle kanten op te spatten. Daar waar de vragen erin door de lezer als hinderlijke onderbrekingen kunnen worden ervaren, blijft de huidige tekst voortdurend bij de kern."
Een andere moeilijkheid met de leer van Nisargadatta is dat hij de term ‘ik ben' in de betekenis van ‘Bewustzijn op zich' of ‘zuiver, oningevuld Bewustzijn' gebruikt, maar ook in de betekenis van het eerste besef van een zelf, dat ergens tussen het tweede en derde levensjaar bij ieder kind tot ontwikkeling komt. Dat is op zijn minst verwarrend te noemen en het heeft mij dan ook een behoorlijke tijd gekost om dat onderscheid zonder die uitleg erbij in zijn teksten te kunnen aanbrengen. En dat was erg jammer, want bijna had ik het werk van deze grote meester terzijde gelegd als onleesbaar of zelfs onbegrijpelijk.
Door het achter elkaar lezen van de citaten in De Nisargadatta Gita, in combinatie met de erbij geleverde commentaren, wordt het onderscheid tussen de twee betekenissen van ‘ik ben' in elk geval wel duidelijk. En daar houdt Nisargadatta's leer niet op. Want "wanneer zowel ‘ik ben' als ‘ik ben niet' vergeten zijn", zoals in uitspraak 106 wordt aangegeven, "is er sprake van de hoogste soort rust". Het commentaar van Pradeep Apte is kenmerkend voor de manier waarop hij in het hele boek de uitspraken van de meester toelicht: "Het woord ‘rust' moet begrepen worden in zijn hoogste betekenis, waarin er geen sprake is van rust voor een bepaalde tijdsduur, maar van tijdloze rust ... In deze staat is zowel ‘ik ben' als ‘ik ben niet' vergeten. Dit zijn in feite aspecten van beleving, en jij bent geen van beide."
Al met al kan dit boek, niet in de laatste plaats ook vanwege de mooie vormgeving en duidelijke tekstweergave, zonder meer als een welkome aanvulling beschouwd worden op de al bestaande Nisargadatta-bibliotheek.
Han van den Boogaard
----------------------
Jed McKenna
Notities
Samsara Uitgeverij bv, 2010, 228 blz.
ISBN 978-90-77228-62-3
De eerste tip voor de lezer van Jed McKenna's werk: houd je niet bezig met de identiteit achter het pseudoniem. Sinds het verschijnen van zijn eerste boek in 2002 is de ware naam van McKenna onderwerp van menige verhitte discussie. Vooraanstaande leraren en schrijvers als Adyashanti en Ken Wilber worden genoemd en met evenveel verve door anderen weer van tafel geveegd. De onderliggende vraag is echter altijd of men de lessen van McKenna wel serieus kan nemen zonder te weten wie hij is. Een onzinnige vraag natuurlijk, want valt verlichting überhaupt te verifiëren? En is een zoeker daar de aangewezen persoon voor? Zinvoller is het om onder de loep te nemen wat McKenna tussen de regels van zijn romans (want dat zijn het tenslotte) te zeggen heeft.
In Notities lezen we fragmenten die zijn eerder verschenen trilogie (Spirituele verlichting? Vergeet het maar!, Spiritueel Incorrecte Verlichting en Spirituele oorlogvoering) niet haalden, plus drie interviews. In de fragmenten duiken verschillende bekende personages op met hun specifieke problemen, waarbij de insteek van McKenna niet wezenlijk verschilt van die in zijn andere boeken. Zo valt de term ‘spirituele autolyse' nog enkele malen (een door McKenna gepropageerde vorm van zelfonderzoek waarin men alles opschrijft wat men over zichzelf denkt te weten en die ‘kennis' vervolgens tot op het bot analyseert). De genadeloosheid waarmee men zijn eigen onwetendheid te lijf moet gaan, komt eveneens ter sprake en ook trekt McKenna weer van leer tegen de zelfingenomen spirituele zoeker die zich verschanst achter kennis uit de tweede hand.
Vertrouwen in andere goeroes en leraren heeft McKenna nauwelijks. Vooral degenen bij wie de verlichtingservaring kan worden teruggevoerd tot een enkel moment schuift hij als dwalers (zo niet charlatans) terzijde. Dat het zien van de eenheid plaats kan vinden tijdens ‘een wandeling in het park' (doelt hij hier op Tony Parsons?) vindt hij te belachelijk voor woorden. Ook het boeddhisme krijgt een veeg uit de pan. De nadruk op mededogen onthult volgens McKenna het oppoetsen van het ego met een nieuwe verheven conditionering. Verrassend is zijn pleidooi voor het gebruik van lsd als hulpmiddel op de weg naar verlichting. Al houdt hij daarbij een stevige slag om de arm (een pleidooi voor drugsgebruik ligt natuurlijk gevoelig), de lezer kan er niet omheen: lsd is een short cut die serieuze zoekers in elk geval dienen te overwegen.
McKenna heeft een meeslepende schrijfstijl en doorspekt zijn argumentaties met anekdotes en oneliners, waardoor hij zelden prekerig overkomt. Hierdoor vergeet je bijna dat wat hij je aanreikt niet erg substantieel is. Zo wordt zijn methode van de ‘spirituele autolyse' nergens goed uitgelegd; hij volstaat met "zoeken totdat alles duidelijk is" - een advies waar je niet veel mee kunt. In Notities ventileert de schrijver uitgebreid zijn verlichte kijk op de wereld, maar de weg naar die toestand blijft vaag, wat overigens niet wil zeggen dat er geen waarde in deze Notities schuilt. McKenna's grote kracht is dat hij je prikkelt om de onzin (spiritueel en anderszins) opzij te schuiven en eens ernst te maken met de grote schoonmaak van je denkpatronen. Een goed voorbeeld hiervan is zijn vergelijking van het ego met een luxueus penthouse. Je woont daar heel tevreden, tot er iets begint te knagen. In McKenna's voorbeeld wordt dat knagende gevoel gesymboliseerd door een beginnend brandje. Je ruikt de rook maar zit nog veilig, dus onderneem je geen actie. Maar na niet al te lange tijd is het brandje een waar inferno geworden dat ook je penthouse in lichterlaaie zet. Nu heeft je comfort al zijn aantrekkelijkheid verloren. Je staat op de vensterbank met beneden je een peilloze diepte, achter je de moordende vlammen. Talloze malen heb je uit het raam gekeken en overwogen de sprong te maken, maar nooit was de noodzaak zo duidelijk als nu. Wat doe je?
Een open vraag. McKenna voert je tot aan die vensterbank, maar of je springt of niet is aan jou.
Frans Hasselaar
------------------------------