|
HET GEZICHTSPEL Douglas E. Harding (Dit is een samengevatte en geactualiseerde versie van een artikel met dezelfde titel, dat voor het eerst gepubliceerd werd door Eric Berne in ‘the Bulletin of the International Transactional Analysis Association’, april 1967) 1. Onze stelling Dit essay stelt
dat: 2. Definitie van het Gezichtspel 3. Vóór het Spel Aan Carlos (1 jaar en 7 maanden) wordt op een feestje gevraagd om de verschillende ooms en tantes aan te wijzen. Hij doet dit bij elk om beurten foutloos. Dan vraagt iemand hem waar Carlos is. Hij wuift doelloos met zijn handjes – een beweging die lijkt te zeggen dat hij overal is. Carlos kan Carlos niet vinden. In diezelfde periode, als hij berispt wordt omdat hij een stoute jongen is, protesteert hij niet tegen het feit dat men hem stout noemt, maar zegt hij wel dat hij geen jongen is. Later vertelt hij zijn grootmoeder dat hij een jongen is. Joan (2 jaar) moet zich gaan wassen. Zij gaat naar de badkamer en begint haar gezicht te wassen – het gezicht in de spiegel. Simon (2), wanneer hem gevraagd wordt waar Simon is, wijst recht naar buiten. Johnny (2 jaar en 3 maanden) vraagt zijn moeder om een tekening te maken. Zij tekent een hoofd in de vorm van een cirkel en vraagt : ‘Wat nu ?’ Hij vraagt om de romp te tekenen, dan de broek, voeten, handen (maar geen armen). Dan wil hij ogen, dus zijn moeder tekent twee ogen. Maar hij wil er meer en meer tot het hele gezicht overdekt is met ogen. Dan verklaart hij de tekening voltooid. Andrew (3) is gevallen. Hij gaat naar zijn vriend toe en neemt een spiegel mee om hem de hechtingen in zijn gezicht te tonen. Stephen (3 jaar 6 maanden), staat in het bad, kijkt omlaag naar zijn lichaam en roept uit: ‘Mama, ik heb geen hoofd !’ George (5) zegt ja, wanneer men hem vraagt of hij een broer heeft. ‘Heeft die broer dan ook een broer?’ ‘Natuurlijk niet!’ Mari (5) vraagt moeder waarom zij en zijn zus hoofden hebben, en hij niet. Wijzend naar zijn hoofd verklaart hij : ‘Maar ik heb geen hoofd hier.’ Op de vraag waar zij het meeste denken, antwoorden de meeste kinderen in de klas : ‘In onze hoofden.’ Peter (7) zegt dat hij denkt in zijn rekenboek. Susan (8) is een zwart meisje in een blanke school. Haar onderarmen en haar handruggen doen pijn, ze heeft geprobeerd om ze wit te schrobben. In deze fase is haar gezicht blijkbaar geen probleem. Caroline (9) zit met haar familie rond de tafel te kaarten. Zij begrijpt niet waarom haar moeder zo aandringt dat ze zichzelf moet meetellen als ze de spelers telt. Hakim schrijft over zichzelf op de leeftijd van 10: ‘Ik wist dat mijn armen en lichaam zwart waren, ik kon ze zien, maar ik zwoer dat mijn gezicht blank was en als zij (Shirley Temple) me ooit zou ontmoeten, dat ze mijn liefde dan zou beantwoorden.’ John (11) probeert – zonder succes – aan zijn ouders uit te leggen dat hij ‘de ruimte is waarin al deze dingen gebeuren.’ Je ziet dat er in feite twee heel verschillende soorten van gezichtloosheid opduiken in deze voorbeelden. De eerste – onbewuste gezichtloosheid – kan omschreven worden als: je eigen aanwezigheid over het hoofd zien (bijvoorbeeld Caroline). De tweede – bewuste gezichtloosheid – kan omschreven worden als je eigen afwezigheid zien (bijvoorbeeld Stephen). Hoe kort en onregelmatig ook, dit inzicht is een echte voorproef van de Bevrijding of Verlichting van de Ziener, hetgeen ook beschreven wordt als ‘opnieuw worden als een klein kind’. 4. Leren spelen (1) Hier een
gezicht bouwen (1) Hier een
gezicht bouwen Naarmate je opgroeit neemt de behoefte om je gezicht te belichamen eerder toe dan af. De plek wordt nog meer bewerkt, getuige de rituelen van regelmatig wassen, tanden poetsen, haar borstelen, besmeren en opmaken en herstellen, scheren, rommelen met brillen, roken (ik moet hier een gezicht hebben om deze grote pijp in te steken, om al deze rook uit te laten kronkelen!). Hoe succesvol is de methode? Wat voor vormen brengt ze voort, niet in de schijn van het Spel, maar in werkelijkheid? In plaats van een antwoord te fantaseren kunnen we beter deze kwestie uittesten. Betast je gezicht nu intensief. Kun je op je schouders een massieve, ondoorzichtige, gekleurde bol construeren, zoals je die ziet op de schouders van anderen? En als je dit al kunt construeren, kun je er dan in verblijven? En zo ja, hoe is het dan daarbinnen? Is deze eerste methode om te proberen een gezicht te bouwen, op de plaats waar jij bent, geen volledige mislukking? Het is de truc van het Gezichtspel om het anders voor te stellen. (2) Een
gezicht importeren van elders In het begin negeert baby de andere baby achter het glas. Maar weldra begint hij te spelen met zijn kleine vriend. Mettertijd leert hij dat dat gezicht ‘echt’ zijn eigen gezicht hier is, vóór het glas. In zijn verbeelding reikt hij ernaar, bevrijdt het van het glas, trekt het naar zich toe terwijl hij het vergroot, draait het rond en drukt het tenslotte op zijn gezichtloosheid. Wat een reeks onmogelijke trucjes – om jezelf mee voor de gek te houden! Om te testen hoe efficiënt je het Gezichtspel speelt, kijk je in de spiegel van je badkamer. Als je iemand in die tweede badkamer achter het glas ziet, die met strakke blik in jouw lege badkamer staart, dan speel je slecht of helemaal niet. Als je eenvoudig jezelf ziet, dan speel je goed. (3) Er op
uitgaan om een gezicht te vinden Dat is in het begin natuurlijk onmogelijk. Het kind is in het begin geheel op zichzelf gericht. Hij neemt de wereld op zoals die gepresenteerd wordt. Maar zijn geleidelijke en veelzijdige ontwikkeling naar een volwassen mens houdt de groei in van zijn vermogen om zijn centrum te verschuiven naar andere waarnemers en zichzelf te beschouwen als hun object, vanuit hun gezichtspunt. Dit is de cruciale zet in het Gezichtspel. Opgroeien is het Spel beter leren spelen, en dat betekent verder en verder uit je huid leren springen (hier, bij wijze van spreken) zodat je je huid kunt zien (daar, echt). Beschouw de volgende Ontwikkeling van de Speler, in zes korte scènes. (a) Baby Carlos kan zichzelf op het feestje niet omschrijven. Nog niet opgesloten in een lichaam is hij vrij, onbegrensd. Gezichtloos heeft hij geen zorgen over hoe hij eruit ziet voor anderen, dus gedraagt hij zich onzelfbewust, spontaan, en handelt zonder aanzien des persoons. (b) Maar deze onschuldige fase is al aan het voorbijgaan, want Carlos wordt er meer en meer bewust van gemaakt dat zijn ouders betekenisvol in zijn richting kijken – kwaad of goedkeurend kijkend, liefhebbend of onaangenaam, naar iets en niet naar niets. (c) Opgegroeid tot jongen bezoekt Carlos weer een feestje. Het is zijn beurt om midden in de kring te staan. Deze keer wordt hij plots geconfronteerd met een kring van gezichten en begint hij te blozen en te stotteren. Hoe zien deze kritische, gedachten-verbergende maskers hem? Ze houden hem voor een onzekere jongen en hij neemt hun oordeel over. Niet langer wijd en vrij en in niets gelijkend op hen, ziet hij zichzelf nu door hun ogen als één van hen – en een behoorlijk mislukte bovendien. (d) Enkele jaren later is het een heel andere Carlos die met grote stappen in dezelfde kamer rondloopt – een Carlos die geleerd heeft om het Gezichtspel te spelen met zoiets als plezier. Deze keer doet hij zijn optreden vol vertrouwen (wie dit optreden doet en waarvan het het optreden is wil hij niet weten). Al wat hij zegt en doet is bedoeld om indruk te maken, niet om iets uit te drukken. Want hij is daar, buiten zichzelf, onder de indruk van deze knappe en charmante jonge Carlos. De anderen zijn minder onder de indruk. Eigenlijk zijn ze wat verlegen. Ze voelen de valsheid van het spel. Zij genieten niet van het spektakel van de naar erkenning hunkerende jonge Carlos, die nu excentrisch is, buiten zichzelf, zodat hij zich naar zichzelf kan keren in plaats van naar hen. (e) Nu speelt Carlos, aardig opgeschoten, het Spel beter dan ooit en op een veel grotere schaal. Het aantal medespelers om mee geconfronteerd te worden en te imponeren is enorm gegroeid. Zijn televisiegezicht is bekend in een miljoen huiskamers. Maar zelfs dan verliest hij. Zijn honger naar erkenning groeit sneller dan de voeding. Bovendien, ondanks al zijn truukjes, vindt de kritische kijker hem meer onecht dan ooit. In werkelijkheid zegt hij : ‘ik ben niet wat ik ben, maar wat ik lijk te zijn.’ Hij is van zichzelf vervreemd. (f) Hij kan nog beter spelen nu, en nog duidelijker “onecht” worden; of het Spel minder ernstig nemen en het op één of andere manier klaren tot hij sterft. Laat ons optimistisch veronderstellen dat hij een gemiddelde speler is: want de maatschappij is zowel gezicht-makend als gezicht-nemend. Tot op zekere hoogte werkt het ook. Toch is het maar een spel, een voorwendsel, dat in volle gang gehouden wordt door de verborgen voordelen, die het voortbrengt. Het overplakt onze gevreesde Leegte; het stelt ons in staat om ware intimiteit en liefde te vermijden waarvan die Leegte de basis is. Maar de voordelen zijn maar schijn: als onze Leegte niet positief erkend wordt, zal ze zich op negatieve en uiteindelijk rampzalige wijze doen voelen. Om echt op te groeien, vrij en op ons gemak en natuurlijk te zijn, om heel gezond te zijn, zelfs om heel praktisch te zijn, moeten we stoppen met spelen. 5. Mislukken in het Spel Jung zei dat de schizofrene ophoudt met schizofreen te zijn als hij het gevoel heeft dat hij begrepen wordt en één van de behandelingswijzen bestaat erin om de symbolische taal van de patiënt (hoewel met onvolmaakte oprechtheid) over te nemen. Maar als de therapeut zelf bedankt heeft voor het Gezichtspel, kan hij in sommige gevallen veel voor de patiënt doen door, met volmaakte oprechtheid, de visie van de patiënt op zichzelf te bevestigen. Herbert, bijvoorbeeld, ziet zichzelf als doorschijnend, een vacuüm, gemaakt van glas of ijle lucht : de mensen kijken recht door hem. Hij is leeg, ongeboren, dood, gewichtloos, discontinu in de tijd, hoofdloos, gezichtloos, zonder lichaam, zonder persoonlijke identiteit, hij ligt overhoop met wat hij ziet in de spiegel, hij verschilt behoorlijk van dat hatelijke zelf dat mensen hem trachten op te dringen. Nu is dit alles (met een iets ander taalgebruik) in wezen waar en zelfs vanzelfsprekend voor iedereen die het Gezichtspel niet meespeelt. Herbert is te gezond van geest om goed af te zijn. Hij moet het Spel begrijpen dat anderen spelen: zij (of ten minste zijn therapeut) moeten stoppen met het te spelen. Zijn genezing is de hunne. 6. Het Spel stoppen Het heeft geen zin het volgende enkel te lezen. Ga tegenover iemand zitten - en kijk of je echt van-aangezicht-tot-aangezicht bent. (1) Ouder –
kind (2) Kind –
ouder (3) Volwassene
– volwassene Maar de afloop kan minder gelukkig zijn : het laatste dat veel mensen willen is bevrijd te worden van hun gezichten en de spelvrije intimiteit die daarbij hoort. 7. Weerstand Dit alles is ook opmerkelijk goed van toepassing op het Gezichtspel. Reacties bij blootstelling aan dit Spel zijn uiterst verschillend. Mensen die, als ze nog heel klein zijn, of als ze niet kunnen voldoen aan de sociale norm, het Spel niet met gemak hebben leren spelen, zijn over het algemeen opgelucht als ze het beginnen op te geven. Anderzijds zijn de mensen, die veel tijd en inspanning geïnvesteerd hebben in gezichtsbouw en (zogenaamd) gewonnen hebben door de eruit volgende sociale voordelen, geneigd om elke actie aan te grijpen die de bedreiging wegneemt voor hun zuurverdiende gezichten. Stel bijvoorbeeld dat mijnheer Zwart bedankt voor het Spel en weigert om het verder te spelen met mijnheer Wit, die een fervent speler is. Wanneer Zwart (misschien onverstandig) probeert om het Spel uit te leggen en te verklaren waarom hij ermee kapt, doet Wit Zwart af als onbegrijpelijk, excentriek, of gewoon gek. In elk geval zal het resultaat van de goedbedoelde inspanningen van Zwart zijn dat Wit geprikkeld wordt om harder te spelen. Het kan ook zijn dat Wit echt geshockeerd is en in dat geval zal zijn houding tegenover Zwart een eigenaardig mengsel vertonen van verwarring, begrip en fascinatie. Hij probeert Zwart te ontlopen maar zonder succes. Hun vriendschap schijnt dood te lopen. (In werkelijkheid zal ze, als alles goed loopt, nu pas echt beginnen). Hier is een nog dramatischer voorbeeld. Normaal gaat de Zenmonnik heel graag naar het dagelijks gesprek met zijn Meester; maar als hij op de rand van Satori komt, kan het zijn dat hij, al tegenstribbelend, gedragen moet worden naar de Meester, die hij koste wat kost wil vermijden. Over het algemeen zal de leerling, die zijn Origineel Gezicht begint te zien (zijn Gezichtloosheid, zijn Leegheid) onverwachte weerstanden tegenkomen. Zijn angst bij de confrontatie met deze hindernis wordt geëvenaard door zijn vreugde en opluchting als hij doorbreekt naar de eenvoudige waarheid van zijn eigen helderheid. 8. Ons Oorspronkelijk Gezicht Andere religieuze tradities, zoals Taoïsme, Hindoeïsme (Advaita), Islam (Soefisme) en mystiek Christendom hebben hun eigen versies van het Oorspronkelijk Gezicht. Zij zijn het erover eens dat ik deze Leegte, die hier in het Centrum van mijn universum ligt – en gevuld is met dat universum, moet Zien, niet alleen erkennen. Het is niet zo dat ik even gezichtloos, onlichamelijk en vrij zou moeten worden als ik in de wieg was; maar vooral dat ik zie dat ik altijd zo geweest ben en altijd zo zal zijn, of ik nu de eerlijkheid heb om het te erkennen of niet. En dit is tenslotte ook logisch: de Spelvrije baby heeft hier overduidelijk gelijk. 9. De vijf Stadia van het Spel (2) Het jonge kind is geneigd, zoals we zagen, om zich bewust te zijn (hoe kort en onderbroken ook) van zichzelf-zoals-hij-is-voor-zichzelf – gezichtloze Ruimte. Toch wordt hij zich ook in toenemende mate bewust van zichzelf-zoals-hij-is-voor-anderen: een heel bijzondere en al-te-menselijke derde persoon, compleet met hoofd en gezicht. Beide visies op hemzelf zijn geldig en nodig. (3) Maar naarmate het opgroeiend kind het Gezichtspel leert, zal zijn aangeleerde visie op zichzelf-van-buitenuit zijn aangeboren visie van zichzelf-van-binnenuit overschaduwen en uiteindelijk uitwissen. In feite groeit hij neer, niet op. Eerst bevat hij de wereld; nu bevat de wereld hem – het kleine beetje dat er van hem over is. Hij aanvaardt ieders mening over hoe het is waar hij is, behalve zijn eigen mening. Hij is niet langer eerste persoon. De gevolgen zijn gemakkelijk af te leiden. Gekrompen van het Geheel zijn naar een onbeduidend deel zijn maakt hem hebzuchtig, hatelijk, bang, opgesloten, vals en moe. Hebzuchtig omdat hij tegen elke prijs een beetje van zijn verloren koninkrijk probeert te herwinnen; hatelijk omdat hij zich wil wreken op een samenleving die hem op een wrede manier op maat gesneden heeft; bang omdat hij zichzelf ziet als slechts een ding tegenover alle andere dingen; opgesloten omdat het de aard is van een ding om anderen buiten te sluiten; vals, want hij zet masker na masker op voor elke persoon of gelegenheid; moe, omdat zoveel energie gaat naar het ophouden van deze schijn-identiteiten in plaats van ze te laten waar ze thuishoren – in en voor anderen. En al deze problemen – en nog veel meer – ontstaan vanuit zijn oorspronkelijke voorwendsel, het Gezichtspel, waarbij hij zich inbeeldt (ondanks alle bewijzen van het tegendeel) dat hij op 0 cm is wat hij lijkt op 1,5 meter – een massieve, ondoorschijnende, gekleurde, omlijnde brok materie. Hij is, kort samengevat, buiten zichzelf, excentrisch en van zichzelf vervreemd. (4) Hij doorziet het Spel. Het spelen wordt tijdelijk gestopt. Dit eerste zien is de eenvoud zelf. Eens opgemerkt is niets duidelijker dan je gezichtloosheid. De resultaten, inbegrepen bevrijding van hebzucht, haat, angst en bedrog, zijn daarentegen enkel verzekerd zolang aandacht gegeven wordt aan de Helderheid hier (die Vrijheid zelf is). Flitsen van Helderheid zijn niet voldoende. (5) Nu begint het echt doorslaggevende stadium. Hij moet zijn Gezichtloosheid blijven zien waar en wanneer hij kan, tot het Zien heel natuurlijk en ononderbroken wordt. Dan is tenslotte het Spel uit. Hij is Spel-vrij, Bevrijd, Ontwaakt, Verlicht, waarachtig Eerste Persoon Enkelvoud. Dit bewuste Eerste-Persoondom, deze Verlichting, is de voorbije 4.000 jaar hier en daar doorgebroken en wordt in onze tijd veel minder uitzonderlijk. Het zou kunnen exploderen, ondanks de nog altijd enorme weerstanden in de maatschappij. Dit is fortuinlijk want de overleving van onze soort zou wel eens kunnen afhangen van het feit of deze toestand zo niet de universele dan toch minstens de erkende norm wordt, waaraan werkelijke mentale gezondheid afgemeten wordt. 10. Besluit Totdat ze uitgetest worden, zijn dit slechts
woorden.
Download hier de gehele tekst als PDF-document. |