Waarom zelfonderzoek?
(uit InZicht Nr. 1 -  mei 1999)

Welke motieven brengen ons tot een spiritueel onderzoek? Waarom zijn sommige mensen zo geïnteresseerd dat ze, op zoek naar een antwoord, bereid zijn de wereld rond te reizen, terwijl anderen het idee van een diepgaand onderzoek onmiddellijk afwijzen? InZicht ging na wat enkele auteurs hierover zeggen.

JEAN KLEIN

Er zijn meerdere factoren die ons tot een spiritueel onderzoek kunnen aanzetten. Eerst denk ik aan degenen onder ons die, vanuit hun verleden, een diep heimwee naar het goddelijke in zich dragen. In hun geval kunnen we niet over een motief spreken. Samen met Meester Eckhart kunnen we zeggen: "God zoekt zichzelf."

Dan zijn er mensen die volstrekt onverschillig blijven voor de wereld en haar prestige en niet meer worden aangetrokken door objecten of door menselijke relaties. Wij kunnen hierbij de vraag stellen wat aan de oorsprong ligt van deze ontgoocheling: is het de wereld zelf of is het de houding die ze ertegenover aannemen? Deze twijfel roept vragen op: 'Wat is mijn ware natuur?', 'Wie ben ik?', 'Wat is het leven?', 'Wat betekent dit bestaan?'. Deze vragen moeten vroeg of laat in elk zinnig mens opkomen. Ze zijn, als het ware, diep in ons geschreven en door er verder op in te gaan worden we uiteindelijk de toeschouwer van het hele spektakel.

Het centrum van alles lijkt altijd het 'ik' te zijn, en dat 'ik' schijnt meerdere rollen te spelen: 'Ik loop', 'Ik heb het koud', 'Kan ik je spreken?'. Het is duidelijk dat hier sprake is van een identificatie met het lichaam. Met een meer open en alerte geest stellen we vast: 'Het lichaam loopt', 'Het lichaam heeft koud'. Evenzo als we zeggen: 'Ik herinner mij', 'Ik verbeeld mij', 'Ik wens', 'Ik ben gedeprimeerd' is er op dezelfde wijze een identificatie met het mentale.

De werkelijkheid is niet gebonden aan het lichaam of de geest. Deze kunnen als instrumenten worden beschouwd, als ons bezit. De veranderingen van het lichaam en de geest door de vier leeftijden heen - kindertijd, adolescentie, volwassenheid en ouderdom - worden waargenomen door een kenner, die dit niet zou kunnen observeren als hij niet zelf onbeweeglijk in de tijd was.

Als ik leef vanuit een 'ik', wordt het duidelijk dat ik in een situatie ben waarbij ik met objecten leef en waarbij mijn handelen volledig afhangt van de contacten met deze objecten: ze zijn aangenaam of onaangenaam. Ik ben alleen maar reacties. Langs de angst en het verlangen projecteer ik een wereld waarin mensen druk in de weer zijn, terwijl ik zoek naar een houvast, een middel om mij van hen te onderscheiden en mezelf te vinden, en me dus af te scheiden.

Dit zijn mechanismen die we op het moment zelf zeer helder moeten zien, met een serene luciditeit, ontdaan van iedere persoonlijke bezorgdheid. Dit geeft de noodzakelijke impuls voor een eerlijk en ernstig onderzoek, en naar de ontdekking van het ware ik, het Zelf.

DOUGLAS HARDING

Is het op zijn minst gezegd niet eigenaardig een heel leven te leiden en te sterven zonder je daarbij ooit afgevraagd te hebben wie dit doet. Reeds gewoon uit pure nieuwsgierigheid kunnen we ons die vraag stellen. Maar er is meer. Hoe kunnen we goed functioneren als we leven vanuit een fictie? We zijn ons eigen instrument voor het leven. Hoe kun je een instrument goed gebruiken zonder het te kennen of wanneer je het verwart met een ander instrument? Het lijkt me zeer onpraktisch.

Daarbij komt dat in de grote religies en in sommige richtingen van de psychologie beweerd wordt dat de bevrijdende waarheid en de ultieme therapie in onszelf verborgen liggen, en het directe ervaren van onze ware (goddelijke) Natuur het beste is wat we kunnen doen voor onze minder waarachtige (menselijke) natuur met al haar problemen. Op zichzelf bewijzen deze eeuwige tradities nog niets, maar als vanuit zoveel verschillende tijden en culturen naar iets verwezen wordt, is dit een krachtige uitnodiging om de waarheid ervan na te gaan.

GEOFFROY DE SOUZENELLE

Reeds lang voor Oedipus de sfinx ontmoette, zijn de drie grote vragen waarop de mens een antwoord zoekt: 'Wie ben ik?', 'Vanwaar kom ik?', 'Waar ga ik naar toe?'.

Sommigen bekijken deze drie vragen als archeologen die voor het fronton van een tempel met half uitgewiste inscripties staan. Anderen vinden zonder moeite dat reeds vanaf het eerste ontluiken van hun bewustzijn deze triptiek geschreven staat in het diepste van hun wezen.

Weer anderen geven zich over aan allerlei ervaringen om voor zichzelf te bewijzen dat ze bestaan en trachten hierdoor een antwoord te vinden op hun angst voor de diepten. Er is één gemeenschappelijke noemer in al deze houdingen: het zoeken naar de zin van het leven.

We zijn wel verplicht om vast te stellen dat het alternatief meedogenloos is: ofwel negeren we alles in zijn geheel en beslissen een afdoend antwoord te vinden door te weigeren een zelfonderzoek aan te gaan; ofwel gaan we steeds dieper graven in de implicaties die opdoemen als we voor deze drie vragen geplaatst worden. Dan komen we onvermijdelijk tot de conclusie dat er een hoger principe aanwezig is dat aan de oorsprong ligt van elke vorm en van alle leven.

Dit antwoord vinden we niet in de faits divers van het banale dagelijkse bestaan, maar aan het einde van een volhardende en gerichte innerlijke zoektocht. Alles begint bij een eerste bewustwording, zet zich door in een uitdiepen en doorgronden en moet ten slotte uitmonden in de teruggevonden helderheid van een licht dat in ons aanwezig was, maar waarvan de schittering niet werd gezien.

Dit komt exact overeen met wat aan de grondslag ligt van traditionele inwijdingsrituelen.

Want alles is inwijding: de geboorte en het bestaan ("Het bestaan zelf is een yoga," zei Shri Aurobindo). Dat wat onwetenden de dood noemen, is de ultieme inwijding.

Als het leven geleefd wordt in de context van onderzoek en van het komen tot een reeks opeenvolgende ontdekkingen, dan is alleen de wereld van de geest in staat om de mens die het absolute zoekt tevreden te stellen. Maar deze wereld kan verzegeld blijven, zelfs voor hen die denken een echte spirituele weg gevonden te hebben, omdat ze zich ingeschreven hebben in een religieuze 'club', of omdat ze een school volgen waar het metafysisch onderricht puur intellectueel blijft. Deze mensen riskeren nooit een antwoord te vinden zolang ze niet uit deze twee wagensporen geraken. Deze sporen spelen een positieve rol waar ze de wagen toelaten om een uitgestippelde weg te volgen, maar aan de andere kant vertonen ze het ernstige gevaar dat ze bij een splitsing de weg naar vrijheid en evolutie belemmeren.

Al deze beschouwingen wijzen op het belangrijke feit dat het grondmotief bij een spirituele zoektocht even belangrijk is als het onderzoek zelf. Als dit motief gevonden wordt, is het antwoord reeds aanwezig. Men kan het formuleren in de woorden die de grote soefi Ibn Arabi in de mond van de Onnoembare legt: "Je zou Mij niet zoeken als je Mij al niet gevonden had in jezelf."

BRUNO DE JESSE

Het is voldoende bekend: het grondmotief om te zoeken naar een waarheid, die levendiger en bevredigender is dan het natuurlijk gegevene, is volgens de Boeddha de vaststelling van het lijden in al zijn vormen: ziekte, verval, confrontatie met de dood. In plaats van deze weinig plezierige feiten gewoon van zich af te zetten, gaan de volgelingen van Boeddha ze systematisch onderzoeken; denk aan de beroemde 'kerkhofmeditatie' bij de theravada-boeddhisten. Degene die zich overgeeft aan dit methodisch oproepen van de bestaansangst ontdekt hoe smal de grenzen van de kennis van zichzelf en de wereld zijn in vergelijking met de intensiteit van het zijnsverlangen, en bijgevolg hoe weinig hulp men van die kennis kan verwachten. Wat gezocht wordt, is een geest waarin de situatie zoals ze is niet aanvaard wordt, een houding van opstandigheid tegen de fataliteit van het menselijke lot. De leerling begint een onderzoek omdat hij voelt dat hij klem zit. Terzelfder tijd moet hij de mogelijkheid aanvaarden dat er iets nuttigs te doen valt. Deze voorafgaande hoop ontstaat uit de botsing van de individuele vitaliteit met het ongenoegen over de directe omstandigheden, een beetje als een resultante van krachten. Het laat toe te luisteren naar wat de Meester zegt: "O, monniken! Het onsterfelijke is gevonden, wat niet geboren is, niet geworden, niet gevormd - daardoor is er hoop; er is een vredig eiland midden in de storm van het bestaan." De eigen ervaring zal moeten leren of deze hoop en het vertrouwen in het woord van de Gelukzalige gegrond waren.

Naargelang het temperament en het verleden van iedereen verlopen de dingen zeer verschillend. Er lijken twee belangrijke elementen te zijn: enerzijds het ongenoegen waarop we zojuist zinspeelden, maar ook de verwondering. De ontevredenheid met wat men weet, veroorzaakt een zoektocht die sterk lijkt op het najagen van een luchtspiegeling in de woestijn, een luchtspiegeling die haar belofte van verlossing van warmte en dorst natuurlijk nooit kan inlossen. Om de uitspraak van Gide aan te halen: "Alle dingen verwijzen ernaar, maar niets openbaart het." Er is ook ontevredenheid over de menselijke relaties. In de kindertijd of de vroege adolescentie denkt men soms met de frisheid van een nieuwe blik over het dagelijks bestaan: 'Het kan niet dat er alleen maar dat is.' Deze vaststelling heeft een irrationeel aspect, het is als een onderzoeksaxioma dat aan het intellectuele leven voorafgaat en het tegelijk overstijgt. Dit intens voelen is het begin van een zoektocht.

De verwondering speelt dikwijls een belangrijke rol in het geheel van de motivatie en situeert zich op verschillende lagen in de evolutie van de geest. Ook hier zijn de ervaringen in de vroege jeugd belangrijk. Dit gevoel van verwondering manifesteert zich gemakkelijker als de rationele en sociale structuren de spontaniteit van de intuïtie nog niet verlamd hebben. Hoe kunnen we de verwondering beschrijven? Zoals iedere belangrijke intuïtie is ze haast niet uit te drukken. Verwondering dat de dingen in de eerste plaats zichzelf zijn; een gevoel van vreemdheid tegenover de objecten, de mensen, de gebeurtenissen. Deze gevoelens zijn vaak intens bij kinderen en adolescenten, maar blijven dikwijls spiritueel steriel, omdat ze niet voldoende bewust worden om een dynamische onzekerheid op te roepen, een existentiële twijfel die de geest naar zijn volwassenheid zou kunnen oriënteren. Een van de voornaamste redenen is dat er niets in de opvoeding (voor zover men kan zeggen dat er zoiets bestaat) aansluit op dit soort ontdekking. Meestal gaan deze gelegenheden verloren en lossen snel op in de rationaliteit van het relationele leven en de 'cultuur'. Wie beroepshalve door kinderen en adolescenten in vertrouwen genomen wordt over de dingen die hen alarmeren, weet dat de spirituele openheid veel breder is in het begin van het bestaan, met een grotere mogelijkheid voor evolutie, voor humanisering.

Natuurlijk, het begin van het bestaan is niet de enige periode waarin verwondering en twijfel de geest kunnen bezoeken. Niet bij iedereen is deze verstard na de adolescentie, en er zijn ook de uitzonderlijke momenten van verrassing en een nieuwe relatie met zichzelf: de nieuwheid die zich voordoet in uiterlijke omstandigheden of bij een intieme inkeer, topmomenten in een artistieke beleving, de liefde, de confrontatie met de dood. Het boeddhisme kent het belang van dergelijke ervaringen en denkt dat ze zich in principe kunnen voordoen bij ieder menselijk wezen, 'tempel van de Dharma'. Het denkt dat iedereen alle kennis in zich draagt: de Waarheid die overwint.

(de nummers 1, 3 en 4 van dit artikel komen uit het tijdschrift 'Être', 1977)  

Inhoud 
InZicht Nr. 1 -  mei 1999

 
De Edele Waarheid van het lijden:
het begin van zelfonderzoek?

Een gesprek tussen Kees Boukema, Otto Duintjer, Bruno Nagel, Douwe Tiemersma, Nico Tydeman en Han de Wit.

Wat is radicaal zelfonderzoek?
Douwe Tiemersma

Waarom zelfonderzoek?
Jean Klein, Douglas Harding,
Geoffroy de Souzenelle, Bruno de Jesse

Is zelfonderzoek egoïstisch, saai, onnatuurlijk...?
Douglas Harding

Zien wie je bent - experimenten
Richard Lang

Oud worden en mystiek (1)
Erik van Ruysbeek

GESPREK
Jean Klein


Zolang voorradig
kunnen vorige 
nummers nabesteld worden.

Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met: 
Meinhard van de Reep 
023-5257150 / fax 023-5274404

E-mail: info@inzicht.org

Opgave voor een abonnement kan ook via deze website, klik hiervoor op de button "Abonnement"