|
Woord vooraf
(…)
Het is nu, in 2001, twintig jaar geleden dat Sri Nisargadatta Maharaj overleed. Dat was op dinsdag 8 september 1981 om 7.32 uur. Op 10 september werd zijn lichaam gecremeerd op Walkeshwar. Is dit een soort herdenking? In het blad ‘Yoga en Vedanta’ (23, nr. 4, december 1981) stond een artikel van mijn hand, dat zo begon. ‘Een bijdrage leveren aan de herdenking van Sri Nisargadatta Maharaj, Maharaj herdenken: hoe doe je dat ? Eigenlijk is er niets te herdenken. [...] Maharaj op waardige wijze herdenken zou alleen kunnen plaatsvinden door Dat te realiseren waarin hij en jeZelf samenvallen.’
Wat toen gold, dat geldt ook nu. Velen zeggen geïnteresseerd te zijn in wat er bij Maharaj plaatsvond en horen er graag sterke verhalen over. Ze zouden willen dat ze er toen bij geweest waren. De verhalen zijn echter een eigen leven gaan leiden en hebben soms mythische proporties aangenomen. De werkelijkheid was anders. Als inwoner van Bombay was hij een gewone Indiër. Als hij op straat liep verschilde hij niet van andere oudere mannen in traditionele witte dracht (dhoti). Op zijn vliering zagen velen hem inderdaad als een oude man, rokend en pratend. Het hing van de persoon in kwestie af wat er verder te zien was en dat had weinig met zijn uiterlijk te maken. Daarin verschilt de situatie niet van de huidige. Het hangt van jezelf af wat je ontmoet ... In dit nummer van ‘InZicht’ willen we wat teksten brengen die misschien wat losmaken.
Aan het begin staan uitspraken van Nisargadatta, gedeeltelijk uit het boek ‘Zijn’, gedeeltelijk vanuit aantekeningen. Ook verderop in dit blad zult u opmerkelijke uitspraken vinden, waar Douwe Tiemersma, Alexander Smit en Mieke Berger iets vertellen over de ervaringen tijdens hun verblijf bij Maharaj. Het zijn gedeeltelijk sterk individuele zaken. Omdat ze voor lezers nuttig kunnen zijn, hebben we ze nu opgenomen. Pas echter op voor verabsolutering van methoden en ervaringen, want de wijze waarop een doorbraak zal plaatsvinden is onvoorspelbaar.
Een van de meest specifieke kenmerken van de inhoud van Nisargadata’s latere onderricht was het verschil tussen het oneindige ik-ben-bewustzijn en het het Absolute, dat hij soms ook Bewustzijn noemde. Dit komt aan de orde in een gesprek tussen Nisargadatta en Wolter Keers en het wordt verder besproken in artikelen van Douwe Tiemersma (vertaling van het ‘Foreword’ van ‘I am That) en van Philip Renard (Het ik is een deur). In zijn laatste levensjaar, toen hij alleen over de hoogste waarheid wilde praten, benadrukte hij steeds het loslaten van ‘ik-ben’ als de laatste binding.
Verder is het lezen van deze aflevering weer een avontuur, waarin u ook stukken zult vinden die niet direct met het centrale thema hebben te maken, maar daar bent u al aan gewend. In ‘InZicht’ stond steeeds het radicale zelfonderzoek centraal. Allen wens ik op deze weg veel inzicht, met en zonder ‘InZicht’.
Douwe Tiemersma
|
|
Uitspraken van Shri Nisargadatta
Maharaj
Een bloemlezing van uitspraken van Nisargadatta Maharaj, voornamelijk uit het boek ‘Zijn’, de vertaling van het tweede deel van ‘I am That’ door Wolter Keers (uitgave Altamira-Becht, Bloemendaal). De keuze is gemaakt door Raf Pype. Hieraan toegevoegd zijn enkele woorden van Nisargadatta die Douwe Tiemersma heeft genoteerd tijdens zijn verblijf in Bombay.
“Als persoon kunnen we niet ontkomen aan de angst. Zodra je ophoudt met jezelf voor een persoon aan te zien, ben je vrij van angst. Dat is niet moeilijk. Onthechtheid komt vanzelf als we doorzien hebben dat de dingen waar we naar verlangen ons niet gelukkig maken. Je hoeft niet met je verlangens te liggen worstelen. Uiteindelijk is het verlangen de drang om geluk te vinden - en dat is een natuurlijke zaak zolang er verdriet bestaat. Het enige dat nodig is, is dat je doorziet dat het geluk niet te vinden is in de dingen waar je naar verlangt.”
De drastische confrontatie met Nisargadata Maharaj
Douwe Tiemersma
Hoe weet je dat je met een authentieke leraar hebt te maken, met een leraar voor jou? De overtuiging kan groeien in een langdurig contact, wanneer je steeds meer gaat resoneren met de betekenis van zijn of haar woorden, met de kern van de leraar zelf. In mijn geval was het een plotseling gebeuren. (…)
De ontmoeting met de uiteindelijke leraar (sadguru) is het grootste geluk dat je in het leven ten deel kunt vallen. Dat is de leraar die zichzelf niet als leraar ziet, maar die zich als Openheid kent en laat kennen. Het is deze Openheid die de nodige ruimte geeft voor het oplossen van de ik-resten. Het is ook de Liefde die nodig is voor het uiteindelijke vertrouwen dat alles goed is, zodat ook de laatste spanning kan wegvallen. Het is ook de Bevestiging van het weten: Dit is het. Dit weten is al aanwezig en het is een zeker weten in het wakker zijn. Het geloof in wat leraar zegt en zijn bevestiging, vaagt elke rest van twijfel weg. De leraar heeft een menselijke vorm, maar die vorm is nodig om de brug te kunnen slaan van het beperkte naar het onbeperkte.
‘Elke ontsnapping is gedoemd te mislukken’
In gesprek met Alexander Smit, september 1988
Belle Bruins
Locatie: de keuken van zijn huis aan de Prinsengracht in Amsterdam. We waren bezig met het doornemen van de vertaling van ‘The nectar of the lord’s feet’ (Nederlandse titel ‘Zelf-realisatie’) van zijn leermeester Sri Nisargadatta Maharaj en hij wilde ter afwisseling best eens een ‘interview’ doen, als een soort oefening. Het interview heeft een computercrash, inbraken en diefstal overleefd, want gelukkig had ik de band indertijd al uitgetypt en geprint. Die heb ik jarenlang als een schat bewaard. Tot nu.
(…)
“Hij bleef aan de gang op die manier. En toen kwam er een moment dat ik er schoon genoeg van had. Echt zo schoon genoeg dat ik ... ik zal niet zeggen kwaad werd, maar er vond een verschuiving plaats, een accentverschuiving van alle autoriteit buiten mij, met inbegrip van Nisargadatta, naar een autoriteit binnen in mijzelf. Hij was aan het praten en op een gegeven moment zei hij “niemand”. Hij zei: “Er is hier natuurlijk niet iemand die praat.” Dat werd me teveel. En ik zei: “Als je dan niet praat waarom hou je je mond dan niet? Waarom dan nog iets zeggen?”
En het leek wel of hij daarop gewacht had. Hij zei: “Wil je dat ik niet meer praat? Is goed, dan praat ik vanaf nu niet meer en als mensen iets willen weten, dan gaan ze maar naar Alexander. Vanaf nu wordt er niet meer vertaald, vertalers hoeven niet meer te komen, er wordt geen Engels meer gesproken. Er wordt alleen nog maar Marathi gesproken en als mensen problemen hebben gaan ze maar naar Alexander want die schijnt hier alles te weten.”
En het gedonder met de anderen, de slijmjurken en de slijmballen die zeiden dat ik m’n excuses moest aanbieden!
Van m’n leven niet. Ja, je kan je excuus niet aanbieden aan een niemand hè?!
En tegen mij zei hij: “En jij, jij kan hier niet meer komen.” En ik: “Hoezo kan ik hier niet meer komen. Hou me maar eens tegen. Ben je helemaal besodemieterd.” En de vertalers waren daarover helemaal over hun toeren natuurlijk. Ze zeiden dat zoiets nog nooit vertoond was. En hij was kwaad! Niet te geloven zo kwaad! En de geschenken die ik voor hem had meegebracht gooide hij voor m’n voeten en hij zei: “Niets wil ik van jou. Nothing from you I want.”
 |
Ontmoetingen met Nisargadatta Maharaj
Mieke Berger
(…)
Aangekomen in de ruimte kon ik in eerste instantie niets ontwaren, het was er te donker. En dan plotseling in een flits, zag ik een klein mannetje in een hoek zitten in de bekende Indiase kleermakerszit. Ik stond als aan de grond genageld. Nog steeds als ik er nu aan terug denk, kon ik Nisargadatta in die eerste ontmoeting alleen maar beschrijven als een soort vuurbal, energiek zoals ik nog niet eerder iemand meegemaakt had, met vurige ogen, die niet te ontwijken waren. Het denken was volledig gestopt, ook al had Wolter mij indringend verteld dat ik een ‘prostration’ moest maken, op twee meter afstand moest gaan zitten en een vraag moest stellen, nota bene ook nog in de derde persoon. Ondanks het regelmatig herhalen en inprenten van die vraag en het vooraf repeteren van het protocol, viel alles stil en kon ik alleen maar staren naar de man, die inderdaad Nisargadatta bleek te zijn en die mij heel zachtaardig en vriendelijk gebaarde naast hem te komen zitten.
|
Gesprek tussen Sri Nisargadatta Maharaj en Wolter Keers
(Bombay, 18 november 1976)
Ter inleiding (Douwe Tiemersma)
Het gesprek tussen Nisargadatta Maharaj en Wolter Keers, die in Nederland als eerste in de jaren ‘60 en ‘70 advaita-gesprekken hield, vond plaats door tussenkomst van vertalers. Het is niet altijd even duidelijk of de vertaler de woorden van Nisargadatta Maharaj weergeeft of dat deze van hemzelf zijn. Daarom staan hieronder de antwoorden – die meestal van Nisargadatta Maharaj zijn, maar niet altijd - op de vragen van Keers achter de naam van de vertaler. Vooral mr. Sapre is vaak zelf aan het woord. Dat was een reden voor Nisargadatta Maharaj om hem op een gegeven ogenblik niet meer als vertaler te laten optreden. Als de vertaler zegt: ‘Hij zegt: ...’ is het duidelijk dat het de woorden van Nisargadatta zijn.
De inhoud van het gesprek lijkt misschien een woordenstrijd, maar het gaat wel degelijk om een belangrijk stuk kennis, om de hoogste kennis. Krishna Menon en Keers verwijzen naar het bewustzijn als het hoogste, als ‘kennendheid’ die niet waargenomen kan worden. Nisargadatta Maharaj laat zien dat dit bewustzijn niet altijd aanwezig is, dat het nog te maken heeft met een ‘zijn’ (beingness of ‘I am’) en dat dit bewustzijn wordt gekend in een hoger bewustzijn, het Absolute. Het gaat hier om wat traditioneel de vierde staat (turîya) wordt genoemd, oorspronkelijker dan de waak- en slaaptoestand en de diepe droomloze staat.
|

|
‘Ik’ is een deur,
deel 2: Nisargadatta Maharaj
Over de ingang die in de 20ste-eeuwse Advaita geboden wordt
Philip Renard
In het eerste deel van ‘‘Ik’ is een deur’, in InZicht van feb. 2001, schetste ik het opvallende fenomeen dat in de Advaita Vedanta de term ‘ik’ gehandhaafd blijft om zelfs de hogere niveaus van werkelijkheid mee aan te duiden, de niveaus die ‘voorbij de persoon’ zijn. De hulp die hierin is gelegen bestaat eruit dat er met het handhaven van de term op gewezen wordt dat het besef ‘ik’, dat zo vanzelfsprekend is voor de beleving van de persoon, in feite dieper is dan die tijdelijk optredende persoon, en dat dit besef onafgebroken aanwezig is, ook nu al. Er hoeft dus niet eerst iets verwijderd of uitgesloten te worden om contact te kunnen maken met het Echte dat je bent. In het eerste deel ben ik ingegaan op de benadering van Shri Ramana Maharshi, en nu wil ik graag de aandacht laten gaan naar de verwoording van Shri Nisargadatta Maharaj (1897-1981).
Nisargadatta is in mijn ogen een van de grootste leraren van de twintigste eeuw (en misschien wel van alle tijden, al is zoiets natuurlijk heel moeilijk te beoordelen). Wat hem zo groot maakt is vooral zijn enorme vermogen om alles wat hem gevraagd werd te laten zien als te bestaan uit concepten, en om deze concepten vanwege hun nutteloosheid tot aan de grond toe af te breken. Wat de leerling ook maar opperde, Nisargadatta toonde aan dat het neerkwam op een houvast aan denkbeelden, en hij verwees naar de oorsprong ervan, het zaad ervan. Alles, werkelijk alles, ook iets dat hij even tevoren zelf had gezegd, werd ondermijnd als te zijn een concept, en dus niet waar. Het enige dat waar is, zo beklemtoonde hij, is het conceptloze.
Omdat hij niet meer leeft, is het lezen van zijn boeken de enige mogelijkheid om van hem te leren (afgezien van een paar flitsjes van darshan via enkele video-fragmenten). En bij dit lezen blijkt iets dat eigenlijk humoristisch genoemd kan worden, namelijk dat hij, de grote concept-ondermijner, zelf voortdurend concepten aanreikte. Hij sprong van niveau naar niveau, noemde talloze Sanskriet-termen voor een bepaald niveau, gebruikte dezelfde of zeer verwante termen voor een ander niveau, en liet dan de hele zaak oplossen in wat hij noemde ‘de donkerblauwe staat van niet-ervaren’.
Helaas heeft dit ertoe geleid dat veel zoekers die wel al een glimp hebben opgevangen van wie ze werkelijk zijn, toch blijven doorgaan met de zoektocht, vanuit het kennisnemen van de boodschap ‘alleen het Absolute ben ik’. Rusteloos wordt dan zowel geclaimd dat ze ‘bewustzijn al kennen’, alsook uiting gegeven aan de frustratie dat ‘de stap verder’ niet lukt.
Genade
Éric Baret
Vraag: Iemand die een stilte-ervaring heeft gehad, zou in deze toestand van helderheid willen blijven, maar moet vaststellen dat dit onmogelijk is. Daarom gaat hij boeken lezen en zoekt het gezelschap op van wijzen. Misschien studeert hij jarenlang bij een grote goeroe, hij mediteert, doet yoga en pranayama, wijzigt zijn voedings- en andere gewoonten… kortom, hij onderneemt wat men een ‘sadhana’ noemt. Maar ondanks dit alles blijkt duidelijk uit mijn ervaring en uit die van mijn vrienden dat men snel een punt van verzadiging bereikt en men schijnbaar voor jaren, ja zelfs voor decennia, ter plaatse blijft stagneren. Alsof de dorst niet gelest werd. Misschien werd er iets essentieel vergeten? Is dit niet iets wat men ‘genade’ noemt? En wat is dat: genade? Van waar komt zij? Hoe werkt zij?
E.B.: Dat waarover we kunnen praten, wat we kunnen begrijpen, wat ergens vandaan komt, kunnen we geen genade noemen. Volgens de traditionele benaderingen steunt Genade op geen enkele objectieve situatie. Zij komt uit zichzelf, door zichzelf. Zij kan nergens vandaan komen, tenzij uit het hart. Zij komt niet voort uit een activiteit, en kan evenmin door het beperkte menselijke brein begrepen worden. Men kan er dus, buiten dit, niets over zeggen.
In je vraag merk je terecht op dat eerst de intuïtie komt en pas daarna de sadhana. De intuïtie bestaat er niet in dat men zijn ware natuur ziet. Dit is niet mogelijk, want dit is iets dat men niet kan ervaren. Het gaat om de intuïtie van wat we niet zijn. Wij zien heel helder onze mechanismes, onze arrogantie, onze angsten, onze
beperkingen, zonder de wil om er ook maar iets aan te veranderen. We stellen de feiten vast in alle nederigheid. Het zien van wat we niet zijn, noemt men in het Oosten de intuïtie van wat we wel zijn.
Dit moet duidelijk gezien worden, want het merendeel van de mensen koestert de fantasie om wat ze zijn te willen bedenken of visualiseren.
Een sadhana, tenminste voor wat de traditie van het Kashmir Shaivisme betreft, kan nooit als bedoeling hebben om je waar dan ook terug te brengen. Wat zonder oorzaak, zonder sadhana verschenen is, kan niet vanuit een oorzaak terugkeren. De eerste intuïtie is zonder uitnodiging verschenen, niets kan haar doen terugkeren. Het leven beslist over deze ontwikkeling.
Daarom ziet de Kashmir-traditie sadhana niet als een poging om tot iets te komen, maar als een uitdrukking van deze oorspronkelijke intuïtie. Anders doet men een yoga in dynamische zin, vanuit de dwaze gedachte dat het kleine het grote kan bereiken, een democratische fantasie.
|
|
Voorwoord bij ‘I am That’
Douwe Tiemersma.
Voor de nieuwe druk van de uitgave van ‘I am That. Talks with Sri Nisargadatta Maharaj’ in 1981 werd Douwe Tiemersma door Sudhakar Dikshit van Uitgeverij Chetana gevraagd een ‘Foreword’ te schrijven. Ook in de verdere Engelse edities bleef dat voorwoord gehandhaafd. Hier staat de Nederlandse vertaling. …
Dat er weer een nieuwe druk van ‘I am That’ verschijnt is niet verrassend, want de sublimiteit van de woorden van Sri Nisargadatta Maharaj, hun directheid en helderheid waarmee zij naar het Hoogste verwijzen, hebben dit boek al tot een van de belangrijkste teksten gemaakt. Velen beschouwen dit boek met spiritueel onderricht in feite als het enige dat werkelijk de moeite van het bestuderen waard is.
|
|