Mystiek en wetenschap
Erik van Ruysbeek
Toen ik ongeveer 21 jaar was, veranderde mijn leven volledig.
Ik stapte uit een cursus psychologie aan de universiteit in
Leuven en toevallig viel mijn oog op een donkerrode baksteen
in de witgekalkte lokaalmuur waarvan de kalk was afgevallen.
Het korrelig aspect van de steen fungeerde zowat als de glans
van de tinnen pot waar Boehme eens naar keek. In een fractie
van een seconde was alles gebeurd. Ik stelde me de stof voor
als een soort zonnestelsel in het klein, met proportioneel
tussen zon en planeten (de elektronen) ongeveer dezelfde
leegte-afstanden. Joliot Curie had eens het volume berekend
van een lichaam van 70 kg waaruit men de leegte zou halen,
zodat alle stofdeeltjes op mekaar zouden plakken. De cijfers
herinner ik mij niet meer, zijn vergelijking des te beter: het
zou vergelijkbaar zijn met een der kleinste stofjes die men in
een donkere kamer in een binnendringende zonnestraal ziet
bewegen. En dit stofje zou 70 kg wegen! Al het overige was
leegte! De ‘baksteen-ervaring’ bestond nu hierin dat al
deze theoretische kennis de substantie zelf van mijn
bewustzijn werd, dat ik in die werkelijkheid nu alles ervoer
wat mij uit het leven tegemoet trad. Ineens metamorfoseerde
zich de harde steen in een transparante, bijna totaal lege
kleine werkelijkheid.
De leegtevelden verbreidden zich op hetzelfde ogenblik tot de
leegte in de lucht tussen de steen en mij, tot mijn eigen
lichaam, tot het lokaal, tot de stad Leuven, tot het land, tot
de aarde en tot het universum. Door de leegte was alles één.
Had ik toen al het dubbel aspect van het elektron gekend: zijn
bestaan op een bepaalde plaats én zijn golfsgewijze
uitzetbaarheid door de ruimte, dan had de eenheid mij nog veel
hechter geschenen. Toen wist ik echter nog niets van mystiek
en verzweeg ik dit zorgvuldig voor iedereen. Nochtans had ik
iets ontdekt - dit weet ik nu - dat een gelijkenis vertoonde
met het Indiase Brahman. En dit louter voortgaande op de
wetenschap. Iets als een substraat van het Zijn. Al had ik in
mijn kinderjaren en mijn jeugd tal van numineuze momenten
gehad, dat ze een aanzet waren tot mystiek wist ik niet. Dit
was voor mij nog alleen wetenschap.
Ik verliet het lokaal en spoedde mij naar het park om rustig
het wonder dat mij overkomen was te verwerken. Had ik toen
mijn gewoon mensenoog niet gehad, ik zou mijn weg niet meer
gevonden hebben in een zee van leegte, bevolkt met cirkelende
atomen en elektronen. Later las ik in de Kena-oepanishad
hierover: "Ik ben het kleinste en het grootste". Dat
was zuivere waarheid. Het kleinste: het substraat van alle
werkelijkheid, en het grootste: wat heel het universum vult,
het universele zijn dat er de eenheid van uitmaakt. Ik kan
gerust zeggen dat op dat moment heel mijn leven veranderde. (…)
<info auteur>
Erik Van Ruysbeek (Brussel, 1915) is dichter en mysticus van
de ‘ongrond’, de specifieke term waarmee hij, in navolging
van Jacob Boehme, het onnoembare een naam geeft.
Hij heeft er zijn hele leven over geschreven - zijn omvangrijk
oeuvre telt ongeveer 50 boeken: dichtbundels, romans en
essays. Enkele ervan werden met een literaire prijs bekroond.
Verschillende van zijn gedichten verschenen in InZicht, naast
de artikels ‘oud worden en mystiek’ (1999/1 en 1999/2)
Erik Van Ruysbeek woont nog steeds in Brussel, maar heeft het
schrijven noodgedwongen moeten opgeven. Hierbij een van zijn
laatste artikelen. Daarin heeft hij het over de ervaringen die
zijn leven een beslissende wending gaven.
De wetenschap van de Eerste Persoon
Douglas Harding
Het doel van deze verhandeling is de essentie en het doel van
de spiritualiteit - meestal aangeduid met woorden als ‘bevrijding’,
‘verlichting’, ‘bewustwording’ - in een modern en
westers kader te plaatsen.
We zullen proberen aan te tonen hoe deze oude,
voorwetenschappelijke wijsheid heel precies past in het
hedendaagse, door wetenschappen gedomineerde landschap, eens
dat ze is ontdaan van haar traditionele opsmuk, haar
sektarische eigenaardigheden en haar heilige taal. Terwijl we
erkennen dat onze moderne wetenschap waardevol en zelfs
onmisbaar is, beweren we dat de oude wijsheid veel verder
gaat, dat ze wetenschappelijker en redelijker is dan dat de
wetenschap zoals we ze kennen ooit kan zijn en dat ze
eigenlijk de praktische en theoretische aanvulling ervan is.
We zullen stellen dat de westerse objectieve wetenschap
slechts de helft van de echte wetenschap is (waarbij de andere
helft de wetenschap van het Subject of van de 1e persoon is)
en dat we problemen krijgen juist omdat we ze met het geheel
verwarren. Het is onze bedoeling om deze vergissing recht te
zetten en ‘verlichting’ voor te stellen in een vorm die
zinnig is voor de wetenschappelijk aangelegde westerse mens en
die onmiddellijk in de praktijk kan worden omgezet.
Laten we eerst kort de methode bekijken van de gewone
wetenschap (de wetenschap van het geobserveerde, van het
object of van de 3e persoon – kort aangeduid als
wetenschap-3), om dan te kijken naar de methode van haar
complement (de wetenschap van de waarnemer, van het subject of
van de 1e persoon, kortweg wetenschap-1). (…)
Deze Wetenschap-1 vraagt precies dat te doen wat wetenschap-3
verbiedt: zichzelf er weer bij plaatsen en zijn subjectiviteit
ernstig nemen. Hier is een methode die zo revolutionair is, de
subject-materie zo uniek, de resultaten zo merkwaardig, dat ze
een totaal nieuw soort wetenschap uitmaken. Wat ook te
verwachten is. Zoals de eerste persoon staat tot de derde
persoon, zo staan ook hun respectieve wetenschappen tot
elkaar: op elk gebied is wetenschap-1 de tegenpool van
wetenschap-3. Toch wordt er niets ontkend, niets tenietgedaan.
In plaats daarvan krijgt het immense werk dat al gedaan werd
een eigen afronding. Deze wetenschap is in geen enkel opzicht
antiwetenschappelijk; eerder ultrawetenschappelijk of
metawetenschappelijk. En haar methode is heel eenvoudig: door
zijn aandacht 180 graden om te draaien en zichzelf te zien
zoals hij is voor zichzelf, is wetenschapper-1 eindelijk in de
juiste positie om de basis-anomalieën van de wetenschap weg
te werken, en tegelijk zijn eigen problemen, de problemen van
het leven, op te lossen. Het ontwarren van de kosmos en het
ontwarren van zijn waarnemer komt voor wetenschapper-1 op
hetzelfde neer. (…)

Magneten
Pauline Vegting
Door de eigenschappen van magneten te onderzoeken, kun je ook
helderheid krijgen in spirituele waarheden die o.a. in het
boeddhisme al duizenden jaren leven.
Magneten hebben de westerse mens vanaf de ontdekking van het
magnetisme gefascineerd. Voor de middeleeuwse mens was het
wonderlijke eraan de werking op afstand. In die tijd kon een
kracht alleen door contact worden uitgeoefend. De
zwaartekracht was nog niet bekend, want voorwerpen vielen naar
beneden om hun natuurlijke plaats te vinden, en planeten
volbrachten hun loop omdat hemellichamen van nature in cirkels
bewogen. Zo eenvoudig was toen de verklaring van
natuurverschijnselen.
Ik ben ervan overtuigd dat boeddhisten geen probleem zouden
hebben gehad met de zogenaamde werking op afstand. Immers,
zo'n werking past wonderwel binnen de visie van de
wederkerigheid van condities, de pratitya samutpada. Omdat ik
jarenlang natuurkundeleraar ben geweest, heb ik heel wat keren
de proef gedaan van de magneet onder een groot stuk karton,
waarop ijzervijlsel was gestrooid om de zo geheten veldlijnen
zichtbaar te maken. Het is een proef die ieder kind in het
voortgezet onderwijs te zien krijgt. Maar laat me eerst
vertellen wat een veld is. Een veld is een gebied waarin een
bepaalde soort beïnvloeding merkbaar is. Die kan afkomstig
zijn van massa's (zwaartekrachtveld), van magneten, en kan ook
van elektrische aard zijn. Omdat magnetisme aan elektriciteit
gekoppeld zit, spreekt men ook van elektromagnetisme en van
elektromagnetisch veld.
Ik vertel u dat allemaal niet zomaar. Ook in het boeddhisme
wordt over veld gesproken: een boeddhaveld. Inderdaad, er is
overeenkomst. Want een boeddhaveld is ook, zo zou je kunnen
zeggen, een soort werking op afstand. (…)
Als we nog wat verder doordenken, komen we tot het inzicht dat
de werking van een magneet, hoe klein ook, zich uitstrekt tot
aan de grenzen van het heelal. Een magneet vult dus het hele
universum. Maar die ene magneet bevat ook de werking van alle
andere magneten in de kosmos. Dit beeld komt wonderlijk dicht
bij het met juwelen bezette net van Indra, waarbij ieder
juweel alle andere weerspiegelt, maar waarbij het ene juweel
ook door alle andere wordt weerspiegeld.
De parallel tussen de visie van de Boeddha en die van de
hedendaagse natuurkunde is helder. Toch zijn er ook
verschillen. De leer van de Boeddha had niet zozeer tot doel,
de wereld natuurkundig te verklaren, maar de mensen veeleer
tot inzicht te brengen omtrent hun eigen ware aard, wat weer
tot een beter gedrag zou leiden. (…)
<Info auteur>
Pauline Vegting was tot aan haar overlijden in 1998 zenlerares te Amsterdam. Ze was ook docente in de fysica. Artikelen van haar verschenen in InZicht nrs 6 en 12 (2000/3 en 2002/1).
Gesprek met Jean Bouchart d'Orval
Hélène Noël
De moderne fysica heeft het over de onbestendigheid van de
verschijnselen en de leegte van de vormen. Zij wijst in de
richting van het Zijn. Als de hedendaagse fysici spreken van
‘verdergaan’, wat willen ze daarmee zeggen?
Wat je zegt is waar. Maar fysica moet fysica blijven. Ze moet
zich ervoor hoeden om te veranderen in een soort gelatine van
slappe theorieën met als doel iets aan te tonen uit het
spirituele domein. De authentieke wetenschap heeft geen andere
taak dan het verklaren van de wereld van de verschijnselen.
Zij moet nooit een ander doel hebben dan dat. In elk geval
steunt het spirituele leven op zichzelf en moet het geen ‘wetenschappelijke’
fundering krijgen. Wat is er belachelijker dan de grove
pogingen tot aanpassing van tegelijk de moderne wetenschap en
de Indische vedanta die men ons soms opdringt? Het is
natuurlijk waar dat de fysica van de twintigste eeuw een teken
geeft van iets ongehoords, maar het is een grote dwaasheid om
te proberen wetenschap en de spirituele visie van het bestaan
samen te smelten. De fysica, als intellectuele benadering kan
niet ‘verdergaan’, zoals je zegt. Het zijn de fysici, als
menselijke wezens, die dit moeten doen.
De mechanistische visie op het heelal is reeds lang
achterhaald. Toch hebben weinigen onder ons hieruit de
praktische gevolgen weten te trekken. De fysici zelf gaan in
hun dagelijkse leven door met zich te gedragen alsof de wereld
samengesteld is uit ‘dingen’ die niet alleen van elkaar,
maar bovenal ook van de waarnemer gescheiden zijn. Is dat niet
verbazingwekkend? Om verder te gaan is een soort energie nodig
die ons dwingt op te houden compromissen te sluiten met om het
even welke voorstelling van de werkelijkheid, en dit niet
alleen op intellectueel vlak, maar vooral in het dagelijkse
leven, op ieder moment. Men kan niet omheen de directe
ervaring van de werkelijkheid zoals ze is. Dit blijft
onvermijdelijk. Het is niet intellectueel. Op zeker moment
komt er in de geest een meditatieve ingesteldheid.
<info auteur>
Jean Bouchart d'Orval is fysicus
en meditatieleraar. Hij is afkomstig uit Quebec, het
Franssprekende deel van Canada. Daar leidt hij, net als in
Europa seminaries en ontmoetingen. Hij is auteur van
verschillende boeken o.a.: ‘La Rumeur de Dieu, l’évidence
de l’Unique’, ‘Patanjali, la maturité de la joie’,
‘Héraclite, la lumière de l’Obscur’.
Verlicht, en wat dan? (3)
Jan van Delden
Interview van Bob Snoijink
Verlichting zal je altijd ontglippen als je denkt dat het fenomeen ergens voor te gebruiken is, of in de waan verkeert dat de persoonlijkheid er iets aan heeft.
Het idee dat je verlichting nog ergens voor kunt gebruiken moet je loslaten. Bij mij was dat de hardnekkigste waan omdat ik zo lang als een heilige had geprobeerd de mensheid te helpen. Dat is een illusie. Nou, daarvoor heb ik op mijn bek moeten gaan. Dus je moet de belachelijkheid inzien van de waan dat jij hier nog iets moet doen. Het Bewustzijn doet alles, het kan je alles afnemen en weer geven. Het is nog niet eens zo lang geleden, begin jaren negentig, dat ik dacht hier een kleine commune te kunnen beginnen. Klein groepje, vijf vrienden. Ik had die heksenketel bij Wolter gezien met al dat gezeik van al die mensen, ik dacht: ik kan toch niet goed praten, ik ben maar een woordblinde idioot, laat mij maar hier lekker zitten met vijf mensen. Wolter had het wel eens over verschillende goeroes, weet ik hoe ze heten: die grote en die kleine. Ik dacht, laat mij maar zo'n kleintje zijn, heb ik dat gezeik aan m'n kop niet. Maar daarin was het idee dat IK dat met mijn vrienden wilde doen. IK wilde het doen. IK wilde toch nog iets hébben. IK had toch nog voorwaarden. Zo werkt het dus niet. Alles wat een IK wilde, moest afgepakt worden.
Rubrieken:
- Experiment: Het tunnel-experiment (uitgebreid verslag van
een workshop met Douglas en Catherine Harding)
- Boeken: 'Eén zijn' van Jan Kersschot.
- Brieven van Lezers
- Mededelingen – Agenda
|
Kennis & Zijn
Non-dualisme en (Radicaal) Constructivisme
Chinmayo
Of we nu wetenschappers zijn of niet, bijna iedereen neemt aan
dat we vanuit een lichaam kijken naar een wereld buiten ons.
Een wereld die er al was voor onze geboorte en die er ook zal
zijn na onze dood. Maar wat als dat gewoon niet waar is? Wat
als wij niet in de wereld zijn, maar de wereld in ons is? Of
nog radicaler: wat als er noch een ‘ons’ is, noch een ‘wereld’,
maar dat beiden elkaar tegelijkertijd construeren? En wat zou
dat betekenen voor wetenschappelijke uitspraken? Wat is dan
kennis en wat is (feitelijke) waarheid?
In de wetenschap wordt meestal - bewust of onbewust -
aangenomen, dat er onafhankelijk van de menselijke geest een
wereld van objecten bestaat en dat we over die objecten ware
uitspraken kunnen doen (‘kennis van de feiten’). Dit wordt
‘Wetenschappelijk Realisme’ genoemd.
Daartegenover staat bijvoorbeeld de positie van het ‘Constructivisme’
dat beweert dat kennis niet gaat over objecten, die
onafhankelijk van de geest bestaan, maar juist door de geest
wordt opgebouwd. Er bestaan geen ‘objectieve feiten’. De
wereld zoals we die kennen wordt door ons geconstrueerd.
Hoe kunnen we absoluut zeker weten wat er werkelijk bestaat?
Na enig nadenken is het duidelijk dat we niet kunnen twijfelen
aan onze huidige bewuste, onmiddellijke ervaring: twijfelen is
zèlf een ervaring. (…)
Om nu werkelijk te zien wat we in feite zien, moeten we
proberen om, voor het moment, ons denken opzij te zetten en
alleen maar te kijken... Kijk voor een moment eens naar dit
blad papier. Is er dan werkelijk zoiets als een ‘bewustzijn’
dat naar een ‘blad papier’ kijkt? Of maken bewustzijn en
papier deel uit van één ongescheiden, onmiddellijke
ervaring? Bedenken we die twee dingen niet later pas?
Zuivere, onmiddellijke ervaring kent geen subjectiviteit, noch
los daarvan bestaande objecten. Ze bestaat niet uit een ‘iets’
dat een ervaring heeft van ‘iets anders’. Er is geen ‘buiten’
en ‘binnen’. Het hele universum, inclusief gedachten,
gevoelens, sterren en blaadjes papier vertoont zich puur. Maar
er is niemand die de vertoning gadeslaat, er is alleen de
vertoning. Zelfs het ‘ik’ is slechts een gedachte die zich
vertoont en weer verdwijnt...
Deze manier van kennen zou je ‘Kennen-als-Zijn’ kunnen
noemen. Het is een kennen dat ‘grenzen’ opent en doet
smelten.
<Info auteur>
De spirituele naam van Ton Haarmans (1953), ‘Pantha Chinmayo’
betekent het ‘Pad van Bewustzijn’, een naam gekregen van
Rajneesh, begin jaren ’80. Dit pad bleek helemaal geen pad
te zijn. Het valt gewoon samen met het leven zelf, geschouwd
in en als Bewustzijn.
Met veel enthousiasme ontwerpt Chinmayo websites. Hij heeft
filosofie gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Hij
woont in Lier.

Over relatief en absoluut
Jan Koehoorn
Wetenschap probeert verschijnselen te verklaren. Daarbij is de
blik per definitie naar buiten gericht. Wat zou er gebeuren
als je diezelfde blik naar binnen richt? Wat is er te
ontdekken in de wereld van niet-verschijnselen?
De wetenschap houdt zich al vrij lang bezig met het verklaren
van de vier dimensies waarin we verondersteld worden te leven.
We kennen een driedimensionale ruimte en we kennen tijd.
Vroeger werd aangenomen dat het absolute grootheden waren,
waaraan niet te tornen viel. En voor verreweg de meeste
situaties gingen de wetmatigheden die op dit gebied ontdekt
waren, op. Met de leer van de mechanica en de wetten van
Newton en Keppler konden bijvoorbeeld zeer nauwkeurig de
bewegingen van hemellichamen beschreven worden. Totdat Albert
Einstein met zijn algemene en speciale relativiteitstheorie de
hele fysica op haar kop zette door te laten zien dat tijd kan
uitrekken en inkrimpen en dat ruimte gekromd kan zijn. Simpel
gesteld: een meter is niet altijd een meter, en een uur is
niet altijd een uur.
Op zich geen nieuw verschijnsel, want iedereen kent wel de
ervaring dat de tijd soms vliegt en een andere keer weer
voorbij lijkt te kruipen. Een gezellig avondje feesten in de
kroeg gaat sneller voorbij dan twee uur in de stoel van de
tandarts. Als je jong bent, lijkt een jaar al heel wat, maar
hoe ouder je wordt, hoe sneller het gaat. “Na de veertig
gaat het hard”, hoorde ik mijn moeder vroeger vaak zeggen.
En met afstand is het niet anders. Als je een groot stuk met
de auto moet rijden, dan lijkt de terugweg heel vaak korter
dan de heenweg. En honderd meter horizontaal te voet afleggen,
lijkt heel wat korter dan honderd meter omhoogklimmen op een
ladder. In onze beleving van tijd en ruimte zitten per geval
grote verschillen. Hoe zou dat kunnen als tijd en ruimte
absolute grootheden zouden zijn? Het antwoord lijkt voor de
hand te liggen: dat zijn ze helemaal niet. (…)
Wetenschap en advaita
Douwe Tiemersma
Voor een begrip van de relatie tussen wetenschap en advaita is
het nodig preciezer naar de aard van de diverse typen
wetenschappen te kijken.
Als men in het dagelijks leven over wetenschap spreekt, heeft
men het meestal over de natuurwetenschap in een klassieke
vorm. Deze natuurwetenschap wordt gekarakteriseerd door een
kenmethode van zintuiglijke waarneming en van logisch denken.
Deze methode om kennis te verwerven is bepalend voor de aard
van de kennis die men verkrijgt en voor de aard van de
werkelijkheid die men leert kennen. De werkelijkheid wordt op
een afstand geobserveerd en zo tot een object gemaakt. De
wereld is dan een wereld van dingen waar de waarnemer geen
inwendige betrokkenheid mee heeft. Deze wereld kan dan ook
worden geanalyseerd, uit elkaar worden gehaald tot elementen,
en men veronderstelt dat de processen aan causale wetten
beantwoorden (determinisme). Het lichaam van iemand,
bijvoorbeeld, wordt in de operatiekamer een object waarin de
chirurg kan snijden en dat is onderworpen aan de fysiologische
wetmatigheden.
De geesteswetenschappen en verdere of hermeneutische
wetenschappen bestuderen teksten, gebeurtenissen en
verschijnselen in de menselijke wereld van betekenissen.
Hierbij is, net als in de sfeer van spiritualiteit, de
kennende persoon zelf in het kennen en in het gekende
betrokken. Het gaat hier om interpretatie (hermeneuse), een
gevoelsmatig of geestelijk kennen, waarin de kenner en het
gekende een directe, inwendige relatie hebben of zelfs min of
meer samenvallen. De werkelijkheid bestaat dan niet meer uit
materiële objecten, maar uit betekenisvolle verschijnselen.
Zij worden in hun betekenis ervaren. (…)
Eckhart Tolle in Rishikesh
Mieke Berger
Reisverslag van Mieke Berger Ph.D. In februari 2002 bezocht
zij de Parmarth Niketan Ashram, waar Eckhart Tolle voor het
eerst in India een bijeenkomst met gesprekken organiseerde.
Het is een voorrecht, dat ik juist in India bij een retreat
van Eckhart Tolle aanwezig kan zijn. Zijn boek en,
belangrijker nog, een openhartig interview, hebben me
overtuigd: Eckhart Tolle heeft 29 jaar geleden een authentieke
eenheidservaring gehad, die daarna zijn verdere leven heeft
bepaald. Tijdens een diepe depressie ontwaakte hij midden in
de nacht en overdacht dat hij niet meer met zichzelf kon
leven. Plotseling drong het tot hem door dat er in die
gedachte iets heel raars was: ik en mezelf. Hoe kunnen er twee
‘ikken’ zijn? Ik is ik en die kan niet bestaan uit een ‘ik’
en een ‘mezelf’. Hij viel weer in slaap en bij het
ontwaken was zijn leven fundamenteel anders. Wat hem overkomen
was, kende hij noch uit eigen ervaring noch uit studie of
overlevering. Hij constateerde dat hij gedragen werd door een
diep en intens geluksgevoel. Het dwangmatige denken over- en
benoemen van objecten was verdwenen. Blij, maar verdwaasd,
bekeek hij de wereld vanuit een heel ander gezichtspunt.
Zonder oordeel, zonder objecten te labelen was hij waarnemer
van een duizelingwekkende variatie aan vormen. Naderhand
besefte hij dat de identificatie met zijn ego of mind volkomen
was opgelost. Het zorgde wel voor wat praktische problemen.
Hij heeft daarna zeker zo’n 2 jaar op een bankje in het park
doorgebracht, verwonderd kijkend naar al die vormen en altijd
met dat geluksgevoel.
Het zal dan nog 30 jaar (!) duren voordat Eckhart met zijn
ervaring naar buiten treedt. In die periode leest hij over Sri
Ramana Maharshi, Nisargadatta, Meister Eckhart en anderen, om
daarna te begrijpen wat hem overkomen is. Pas dan is de tijd
rijp om degenen die inzicht verlangen de weg naar verlichting
te wijzen. Nu voor het eerst in de bakermat van de Advaita
Vedanta, India. Een westerse ‘verlichte’, die in India
onderricht geeft!
<info auteur>
Mieke Berger woont, werkt en leeft als healer in Costa Rica. Zij geeft regelmatig teachings op basis van haar aan Advaita Vedanta verwante inzichten. Ook biedt zij weekkuren aan, waar intensief gewerkt wordt aan het lichaam, en belangrijker wellicht nog, aan het doen ontstaan van inzicht als middel om persoonlijk lijden te beëindigen. Website http://www.Jinshinhealing.com
Is het ego illusie?
Interview met Bannanje Govindacharya
Door Andrew Cohen
In dit artikel geven zowel Andrew Cohen als Bannanje
Govindacharya hun bezwaren tegen bepaalde interpretaties van
de Advaitaleer. Het artikel toont aan hoe een oppervlakkige
benadering van de Advaita kan leiden tot conclusies die
gevaarlijk zijn, doordat dat ze eerder de trots en de
aanmatiging van het ego versterken in plaats van ze af te
zwakken.
B.G.: In de Indische filosofie heeft het ‘ego’
verschillende schakeringen van betekenis. Het ego is niet
alleen hoogmoed of eigendunk of arrogantie. In zijn meest
fundamentele betekenis is het ego bewustzijn van het zelf. Dat
is het subtiele ego dat in het Sanskriet ahamkara genoemd
wordt. En dat is gewenst, dat moet niet ontkend of verworpen
worden. Bewustzijn van het zelf is een zeer essentieel deel
van de praktijk. Eerst moet ik weten wat ik ben. Voordat ik
bewust kan worden van God moet ik bewust worden van mijzelf.
Dit is het vereiste ego. Men moet het hebben. Het mag niet
door de praktijk of door een spirituele beoefening ontkend
worden. Zelfs in de toestand van de diepe slaap is het
aanwezig. Zelfs in moksha ben je bewust van je zelf, samen met
het bewustzijn van God. Dat is het ene soort ego.
Maar dan heb je het gevaarlijke ego. Het grove ego van
eigendunk en hoogmoed. In de spirituele praktijk is dit altijd
gevaarlijk. Krishna zegt in de Bhagavata: “Als je kennis,
wijsheid of een filosofie verworven hebt, wees dan niet
egoïstisch.” Denk niet: “Ik heb dit geleerd, ik weet het.”
Nee, dit hoort er niet bij. Ook al heb je kennis, het moet
steeds samengaan met overgave en nederigheid. Anders is deze
kennis gevaarlijk. Als je God wilt realiseren moet dit soort
ego, deze eigendunk en trots vernietigd worden.
<info>
Bannanje Govindacharya wordt in India beschouwd als een eminent kenner van de Vedanta. Toch is Govindacharya zelf geen advaita-aanhanger, maar een verdediger van de dvaita (dualistische) vedanta, die meer devotioneel gericht is en een onoverbrugbare scheiding ziet tussen de individuele ziel (jiva) en de Allerhoogste Heer (Ishvara).
Naakt bewustzijn
Jan Kersschot
Wat belet ons onze ware natuur te zien? Wat is deze kloof,
deze leemte tussen wat we werkelijk zijn en dat wat we denken
of geloven te zijn? Wat is de ontbrekende schakel die dit
dualisme transcendeert? Waar is de achtergrond die alles in
zich verenigt? Hoe komt het dat we dit Eén-zijn hebben
verloren?
Een van de redenen ligt in het feit dat de meeste zoekers
lijken voorbij te gaan aan het Bewustzijn op zich. Met andere
woorden: ze zien het Subject over het hoofd. Inderdaad, de
meeste volwassenen zien niet datgene wat ziet, datgene wat
opmerkt, want ze geloven dat hun persoon het subject is. Ze
zijn gehypnotiseerd door het denken dat steeds geneigd is zich
te laten afleiden door de feitelijke inhouden van het
bewustzijn, zoals lichamelijke sensaties, gevoelens en
gedachten. Al die naar binnen komende feiten geven aanleiding
tot een aantal concepten en geloofsvormen. En deze concepten
overschaduwen het lege Bewustzijn dat het waarnemen toelaat.
We ‘zien’ dus het waarnemende Bewustzijn niet meer omdat
we ervan uitgaan dat wij – als persoon – ons bewust zijn
van wat er gebeurt. In andere woorden: we zien de beelden op
het scherm, maar merken het witte doek zelf niet op. We zijn
gehypnotiseerd door het verhaal van de acteurs en vergeten de
alomtegenwoordige aanwezigheid van het Licht dat maakt dat
onze films zichtbaar worden. We zijn gehypnotiseerd door de
beelden – en het verhaal dat daaraan verbonden is – en
zijn het licht dat dit alles mogelijk maakt volledig uit het
oog verloren. Sommige mystici beweren, dat deze achtergrond
waartegen het bewustzijn afsteekt juist dat is wat ze
wezenlijk zijn. Of beter nog: dat wij dat allemaal zijn. Ze
beweren dat wij het licht zijn in die beelden van onze film.
Wat we denken te zijn is heel wat anders: dat is de persoon,
de hoofdacteur. Maar wat we zijn is het licht in de beelden
van die acteur.
Waarom vinden de meeste spirituele zoekers het zo moeilijk dat
te aanvaarden? Is er een plausibele reden dat we dat niet
zien? Komt dat omdat we de rechtstreekse ervaring van naakt
bewustzijn missen? Hoe kunnen we daar een oplossing voor
vinden? Zouden we experimenten kunnen doen die ons hierin
kunnen helpen? (…)

|