Inhoud 
InZicht  Nr. 3 - september 2002
T h e m a   W e t e n s c h a p p e n 

Woord vooraf

Zijn de natuurwetenschappen bij het spirituele zelfonderzoek belangrijk of moeten deze beide gebieden strikt gescheiden blijven? (…)
Toen in de jaren tachtig verschillende boeken verschenen die probeerden de inzichten van de fysica en van de mystieke tradities aan elkaar te koppelen - het bekendste voorbeeld is “De Tao van de Fysica” van Fritjof Capra - werd aan een fysicus-nobelprijswinnaar gevraagd wat hij hierover dacht. Zijn antwoord was ontnuchterend: “Als fysica het fundament wordt waarop spiritualiteit gebouwd is, dan is dit wel heel onstabiel, want ze verandert voortdurend.” 
Plaats dus om te relativeren - wat ook zal blijken bij het lezen van deze InZicht. Dit betekent natuurlijk niet dat fysica geen weg kan zijn die tot bewustwording leidt. Vooral in het verhaal van Erik van Ruysbeek lees je hoe belangrijk de wetenschappen waren in de groei naar een authentieke mystiek. De ontdekkingen van de fysica uit het begin van de vorige eeuw waren zo revolutionair dat ze nu, bijna een eeuw later, nauwelijks zijn doorgedrongen. Als dat wel gebeurt, zal ze tot een andere levensfilosofie leiden, schrijft Pauline Vegting. Haar artikel gaat niet over de allerlaatste ontwikkelingen in de kwantumfysica, maar over magneten. Toch geeft de ‘simpele’ werking van magneten een beeld van de eenheid van leegte en volheid, de identiteit van het universele en het unieke. 
“Maar,” zegt Jean Bouchart d'Orval, “fysica moet fysica blijven. Ze moet zich ervoor hoeden om te veranderen in een soort gelei van slappe theorieën met als doel iets aan te tonen uit het spirituele domein.” En volgens Douglas Harding komt een groot deel van het succes van de wetenschappen precies door de handigheid van de wetenschapper om zichzelf erbuiten te houden. Maar daardoor krijgen we natuurlijk maar de helft van het verhaal. Harding stelt dan ook een tweede, complementaire wetenschap voor - de wetenschap van de eerste persoon enkelvoud. Waarbij ook experimenten het uitgangspunt vormen. Het verslag van een workshop geeft de lezer de mogelijkheid om dit zelf grondig te testen, evenwel met Hardings waarschuwing: “Enkel het experiment lezen of erover nadenken zonder het uit te voeren, heeft geen zin!”
Dat ruimte en tijd geen absolute grootheden zijn, zou sedert de relativiteitstheorie algemeen aangenomen moeten worden. Maar dat is niet zo en Jan Koehoorn legt dit nog eens duidelijk uit. Douwe Tiemersma en Ton Haarmans gaan dieper in op de methode van de wetenschappen en de vraag naar het waarheidsgehalte van haar uitspraken. Is er zoiets als een eenvormige werkelijkheid? Bestaat er een objectieve wereld? Of construeren we zelf de wereld aan de hand van wetenschappelijke of andere methodes? Is ook ‘objectieve’ wetenschap niet gebonden aan interpretatie, afhankelijk van een visie of wereldbeschouwing? En waar komt de non-dualiteit voor in dit hele verhaal? 
Zoals meestal zijn ook enkele artikelen buiten thema opgenomen. Mieke Berger maakte een boeiend verslag over haar ontmoeting met Eckhart Tolle in India. Verder laat een interview van Andrew Cohen met Govindacharya, vertegenwoordiger van de dvaita (dualistische) vedanta, eens een andere klok horen. En het vervolg van het interview met Jan van Delden - in vorig nummer weggevallen wegens plaatsgebrek - is nu opgenomen. 
Ons volgend nummer heeft als thema: integratie van ‘spiritualiteit/inzicht/verlichting’ in het dagelijkse leven. 

Raf Pype


Mystiek en wetenschap
Erik van Ruysbeek

Toen ik ongeveer 21 jaar was, veranderde mijn leven volledig. Ik stapte uit een cursus psychologie aan de universiteit in Leuven en toevallig viel mijn oog op een donkerrode baksteen in de witgekalkte lokaalmuur waarvan de kalk was afgevallen. Het korrelig aspect van de steen fungeerde zowat als de glans van de tinnen pot waar Boehme eens naar keek. In een fractie van een seconde was alles gebeurd. Ik stelde me de stof voor als een soort zonnestelsel in het klein, met proportioneel tussen zon en planeten (de elektronen) ongeveer dezelfde leegte-afstanden. Joliot Curie had eens het volume berekend van een lichaam van 70 kg waaruit men de leegte zou halen, zodat alle stofdeeltjes op mekaar zouden plakken. De cijfers herinner ik mij niet meer, zijn vergelijking des te beter: het zou vergelijkbaar zijn met een der kleinste stofjes die men in een donkere kamer in een binnendringende zonnestraal ziet bewegen. En dit stofje zou 70 kg wegen! Al het overige was leegte! De ‘baksteen-ervaring’ bestond nu hierin dat al deze theoretische kennis de substantie zelf van mijn bewustzijn werd, dat ik in die werkelijkheid nu alles ervoer wat mij uit het leven tegemoet trad. Ineens metamorfoseerde zich de harde steen in een transparante, bijna totaal lege kleine werkelijkheid.
De leegtevelden verbreidden zich op hetzelfde ogenblik tot de leegte in de lucht tussen de steen en mij, tot mijn eigen lichaam, tot het lokaal, tot de stad Leuven, tot het land, tot de aarde en tot het universum. Door de leegte was alles één. Had ik toen al het dubbel aspect van het elektron gekend: zijn bestaan op een bepaalde plaats én zijn golfsgewijze uitzetbaarheid door de ruimte, dan had de eenheid mij nog veel hechter geschenen. Toen wist ik echter nog niets van mystiek en verzweeg ik dit zorgvuldig voor iedereen. Nochtans had ik iets ontdekt - dit weet ik nu - dat een gelijkenis vertoonde met het Indiase Brahman. En dit louter voortgaande op de wetenschap. Iets als een substraat van het Zijn. Al had ik in mijn kinderjaren en mijn jeugd tal van numineuze momenten gehad, dat ze een aanzet waren tot mystiek wist ik niet. Dit was voor mij nog alleen wetenschap.
Ik verliet het lokaal en spoedde mij naar het park om rustig het wonder dat mij overkomen was te verwerken. Had ik toen mijn gewoon mensenoog niet gehad, ik zou mijn weg niet meer gevonden hebben in een zee van leegte, bevolkt met cirkelende atomen en elektronen. Later las ik in de Kena-oepanishad hierover: "Ik ben het kleinste en het grootste". Dat was zuivere waarheid. Het kleinste: het substraat van alle werkelijkheid, en het grootste: wat heel het universum vult, het universele zijn dat er de eenheid van uitmaakt. Ik kan gerust zeggen dat op dat moment heel mijn leven veranderde. (…)

<info auteur>
 
Erik Van Ruysbeek (Brussel, 1915) is dichter en mysticus van de ‘ongrond’, de specifieke term waarmee hij, in navolging van Jacob Boehme, het onnoembare een naam geeft. 
Hij heeft er zijn hele leven over geschreven - zijn omvangrijk oeuvre telt ongeveer 50 boeken: dichtbundels, romans en essays. Enkele ervan werden met een literaire prijs bekroond.
Verschillende van zijn gedichten verschenen in InZicht, naast de artikels ‘oud worden en mystiek’ (1999/1 en 1999/2) Erik Van Ruysbeek woont nog steeds in Brussel, maar heeft het schrijven noodgedwongen moeten opgeven. Hierbij een van zijn laatste artikelen. Daarin heeft hij het over de ervaringen die zijn leven een beslissende wending gaven. 

De wetenschap van de Eerste Persoon
Douglas Harding

Het doel van deze verhandeling is de essentie en het doel van de spiritualiteit - meestal aangeduid met woorden als ‘bevrijding’, ‘verlichting’, ‘bewustwording’ - in een modern en westers kader te plaatsen. 

We zullen proberen aan te tonen hoe deze oude, voorwetenschappelijke wijsheid heel precies past in het hedendaagse, door wetenschappen gedomineerde landschap, eens dat ze is ontdaan van haar traditionele opsmuk, haar sektarische eigenaardigheden en haar heilige taal. Terwijl we erkennen dat onze moderne wetenschap waardevol en zelfs onmisbaar is, beweren we dat de oude wijsheid veel verder gaat, dat ze wetenschappelijker en redelijker is dan dat de wetenschap zoals we ze kennen ooit kan zijn en dat ze eigenlijk de praktische en theoretische aanvulling ervan is. We zullen stellen dat de westerse objectieve wetenschap slechts de helft van de echte wetenschap is (waarbij de andere helft de wetenschap van het Subject of van de 1e persoon is) en dat we problemen krijgen juist omdat we ze met het geheel verwarren. Het is onze bedoeling om deze vergissing recht te zetten en ‘verlichting’ voor te stellen in een vorm die zinnig is voor de wetenschappelijk aangelegde westerse mens en die onmiddellijk in de praktijk kan worden omgezet.
Laten we eerst kort de methode bekijken van de gewone wetenschap (de wetenschap van het geobserveerde, van het object of van de 3e persoon – kort aangeduid als wetenschap-3), om dan te kijken naar de methode van haar complement (de wetenschap van de waarnemer, van het subject of van de 1e persoon, kortweg wetenschap-1). (…)
Deze Wetenschap-1 vraagt precies dat te doen wat wetenschap-3 verbiedt: zichzelf er weer bij plaatsen en zijn subjectiviteit ernstig nemen. Hier is een methode die zo revolutionair is, de subject-materie zo uniek, de resultaten zo merkwaardig, dat ze een totaal nieuw soort wetenschap uitmaken. Wat ook te verwachten is. Zoals de eerste persoon staat tot de derde persoon, zo staan ook hun respectieve wetenschappen tot elkaar: op elk gebied is wetenschap-1 de tegenpool van wetenschap-3. Toch wordt er niets ontkend, niets tenietgedaan. In plaats daarvan krijgt het immense werk dat al gedaan werd een eigen afronding. Deze wetenschap is in geen enkel opzicht antiwetenschappelijk; eerder ultrawetenschappelijk of metawetenschappelijk. En haar methode is heel eenvoudig: door zijn aandacht 180 graden om te draaien en zichzelf te zien zoals hij is voor zichzelf, is wetenschapper-1 eindelijk in de juiste positie om de basis-anomalieën van de wetenschap weg te werken, en tegelijk zijn eigen problemen, de problemen van het leven, op te lossen. Het ontwarren van de kosmos en het ontwarren van zijn waarnemer komt voor wetenschapper-1 op hetzelfde neer. (…)


Magneten
Pauline Vegting

Door de eigenschappen van magneten te onderzoeken, kun je ook helderheid krijgen in spirituele waarheden die o.a. in het boeddhisme al duizenden jaren leven. 

Magneten hebben de westerse mens vanaf de ontdekking van het magnetisme gefascineerd. Voor de middeleeuwse mens was het wonderlijke eraan de werking op afstand. In die tijd kon een kracht alleen door contact worden uitgeoefend. De zwaartekracht was nog niet bekend, want voorwerpen vielen naar beneden om hun natuurlijke plaats te vinden, en planeten volbrachten hun loop omdat hemellichamen van nature in cirkels bewogen. Zo eenvoudig was toen de verklaring van natuurverschijnselen. 
Ik ben ervan overtuigd dat boeddhisten geen probleem zouden hebben gehad met de zogenaamde werking op afstand. Immers, zo'n werking past wonderwel binnen de visie van de wederkerigheid van condities, de pratitya samutpada. Omdat ik jarenlang natuurkundeleraar ben geweest, heb ik heel wat keren de proef gedaan van de magneet onder een groot stuk karton, waarop ijzervijlsel was gestrooid om de zo geheten veldlijnen zichtbaar te maken. Het is een proef die ieder kind in het voortgezet onderwijs te zien krijgt. Maar laat me eerst vertellen wat een veld is. Een veld is een gebied waarin een bepaalde soort beïnvloeding merkbaar is. Die kan afkomstig zijn van massa's (zwaartekrachtveld), van magneten, en kan ook van elektrische aard zijn. Omdat magnetisme aan elektriciteit gekoppeld zit, spreekt men ook van elektromagnetisme en van elektromagnetisch veld. 
Ik vertel u dat allemaal niet zomaar. Ook in het boeddhisme wordt over veld gesproken: een boeddhaveld. Inderdaad, er is overeenkomst. Want een boeddhaveld is ook, zo zou je kunnen zeggen, een soort werking op afstand. (…)
Als we nog wat verder doordenken, komen we tot het inzicht dat de werking van een magneet, hoe klein ook, zich uitstrekt tot aan de grenzen van het heelal. Een magneet vult dus het hele universum. Maar die ene magneet bevat ook de werking van alle andere magneten in de kosmos. Dit beeld komt wonderlijk dicht bij het met juwelen bezette net van Indra, waarbij ieder juweel alle andere weerspiegelt, maar waarbij het ene juweel ook door alle andere wordt weerspiegeld. 
De parallel tussen de visie van de Boeddha en die van de hedendaagse natuurkunde is helder. Toch zijn er ook verschillen. De leer van de Boeddha had niet zozeer tot doel, de wereld natuurkundig te verklaren, maar de mensen veeleer tot inzicht te brengen omtrent hun eigen ware aard, wat weer tot een beter gedrag zou leiden. (…)

<Info auteur> 

Pauline Vegting was tot aan haar overlijden in 1998 zenlerares te Amsterdam. Ze was ook docente in de fysica. Artikelen van haar verschenen in InZicht nrs 6 en 12 (2000/3 en 2002/1). 


Gesprek met Jean Bouchart d'Orval
Hélène Noël 

De moderne fysica heeft het over de onbestendigheid van de verschijnselen en de leegte van de vormen. Zij wijst in de richting van het Zijn. Als de hedendaagse fysici spreken van ‘verdergaan’, wat willen ze daarmee zeggen? 
Wat je zegt is waar. Maar fysica moet fysica blijven. Ze moet zich ervoor hoeden om te veranderen in een soort gelatine van slappe theorieën met als doel iets aan te tonen uit het spirituele domein. De authentieke wetenschap heeft geen andere taak dan het verklaren van de wereld van de verschijnselen. Zij moet nooit een ander doel hebben dan dat. In elk geval steunt het spirituele leven op zichzelf en moet het geen ‘wetenschappelijke’ fundering krijgen. Wat is er belachelijker dan de grove pogingen tot aanpassing van tegelijk de moderne wetenschap en de Indische vedanta die men ons soms opdringt? Het is natuurlijk waar dat de fysica van de twintigste eeuw een teken geeft van iets ongehoords, maar het is een grote dwaasheid om te proberen wetenschap en de spirituele visie van het bestaan samen te smelten. De fysica, als intellectuele benadering kan niet ‘verdergaan’, zoals je zegt. Het zijn de fysici, als menselijke wezens, die dit moeten doen. 
De mechanistische visie op het heelal is reeds lang achterhaald. Toch hebben weinigen onder ons hieruit de praktische gevolgen weten te trekken. De fysici zelf gaan in hun dagelijkse leven door met zich te gedragen alsof de wereld samengesteld is uit ‘dingen’ die niet alleen van elkaar, maar bovenal ook van de waarnemer gescheiden zijn. Is dat niet verbazingwekkend? Om verder te gaan is een soort energie nodig die ons dwingt op te houden compromissen te sluiten met om het even welke voorstelling van de werkelijkheid, en dit niet alleen op intellectueel vlak, maar vooral in het dagelijkse leven, op ieder moment. Men kan niet omheen de directe ervaring van de werkelijkheid zoals ze is. Dit blijft onvermijdelijk. Het is niet intellectueel. Op zeker moment komt er in de geest een meditatieve ingesteldheid. 

<info auteur> 
Jean Bouchart d'Orval is fysicus en meditatieleraar. Hij is afkomstig uit Quebec, het Franssprekende deel van Canada. Daar leidt hij, net als in Europa seminaries en ontmoetingen. Hij is auteur van verschillende boeken o.a.: ‘La Rumeur de Dieu, l’évidence de l’Unique’, ‘Patanjali, la maturité de la joie’, ‘Héraclite, la lumière de l’Obscur’. 


Verlicht, en wat dan? (3)
Jan van Delden
Interview van Bob Snoijink

Verlichting zal je altijd ontglippen als je denkt dat het fenomeen ergens voor te gebruiken is, of in de waan verkeert dat de persoonlijkheid er iets aan heeft. 
Het idee dat je verlichting nog ergens voor kunt gebruiken moet je loslaten. Bij mij was dat de hardnekkigste waan omdat ik zo lang als een heilige had geprobeerd de mensheid te helpen. Dat is een illusie. Nou, daarvoor heb ik op mijn bek moeten gaan. Dus je moet de belachelijkheid inzien van de waan dat jij hier nog iets moet doen. Het Bewustzijn doet alles, het kan je alles afnemen en weer geven. Het is nog niet eens zo lang geleden, begin jaren negentig, dat ik dacht hier een kleine commune te kunnen beginnen. Klein groepje, vijf vrienden. Ik had die heksenketel bij Wolter gezien met al dat gezeik van al die mensen, ik dacht: ik kan toch niet goed praten, ik ben maar een woordblinde idioot, laat mij maar hier lekker zitten met vijf mensen. Wolter had het wel eens over verschillende goeroes, weet ik hoe ze heten: die grote en die kleine. Ik dacht, laat mij maar zo'n kleintje zijn, heb ik dat gezeik aan m'n kop niet. Maar daarin was het idee dat IK dat met mijn vrienden wilde doen. IK wilde het doen. IK wilde toch nog iets hébben. IK had toch nog voorwaarden. Zo werkt het dus niet. Alles wat een IK wilde, moest afgepakt worden.


Rubrieken:

- Experiment: Het tunnel-experiment (uitgebreid verslag van een workshop met Douglas en Catherine Harding)
- Boeken: 'Eén zijn' van Jan Kersschot.
- Brieven van Lezers
- Mededelingen – Agenda

Kennis & Zijn
Non-dualisme en (Radicaal) Constructivisme

Chinmayo

Of we nu wetenschappers zijn of niet, bijna iedereen neemt aan dat we vanuit een lichaam kijken naar een wereld buiten ons. Een wereld die er al was voor onze geboorte en die er ook zal zijn na onze dood. Maar wat als dat gewoon niet waar is? Wat als wij niet in de wereld zijn, maar de wereld in ons is? Of nog radicaler: wat als er noch een ‘ons’ is, noch een ‘wereld’, maar dat beiden elkaar tegelijkertijd construeren? En wat zou dat betekenen voor wetenschappelijke uitspraken? Wat is dan kennis en wat is (feitelijke) waarheid?
In de wetenschap wordt meestal - bewust of onbewust - aangenomen, dat er onafhankelijk van de menselijke geest een wereld van objecten bestaat en dat we over die objecten ware uitspraken kunnen doen (‘kennis van de feiten’). Dit wordt ‘Wetenschappelijk Realisme’ genoemd. 
Daartegenover staat bijvoorbeeld de positie van het ‘Constructivisme’ dat beweert dat kennis niet gaat over objecten, die onafhankelijk van de geest bestaan, maar juist door de geest wordt opgebouwd. Er bestaan geen ‘objectieve feiten’. De wereld zoals we die kennen wordt door ons geconstrueerd. 
Hoe kunnen we absoluut zeker weten wat er werkelijk bestaat? Na enig nadenken is het duidelijk dat we niet kunnen twijfelen aan onze huidige bewuste, onmiddellijke ervaring: twijfelen is zèlf een ervaring. (…)
Om nu werkelijk te zien wat we in feite zien, moeten we proberen om, voor het moment, ons denken opzij te zetten en alleen maar te kijken... Kijk voor een moment eens naar dit blad papier. Is er dan werkelijk zoiets als een ‘bewustzijn’ dat naar een ‘blad papier’ kijkt? Of maken bewustzijn en papier deel uit van één ongescheiden, onmiddellijke ervaring? Bedenken we die twee dingen niet later pas?
Zuivere, onmiddellijke ervaring kent geen subjectiviteit, noch los daarvan bestaande objecten. Ze bestaat niet uit een ‘iets’ dat een ervaring heeft van ‘iets anders’. Er is geen ‘buiten’ en ‘binnen’. Het hele universum, inclusief gedachten, gevoelens, sterren en blaadjes papier vertoont zich puur. Maar er is niemand die de vertoning gadeslaat, er is alleen de vertoning. Zelfs het ‘ik’ is slechts een gedachte die zich vertoont en weer verdwijnt...
Deze manier van kennen zou je ‘Kennen-als-Zijn’ kunnen noemen. Het is een kennen dat ‘grenzen’ opent en doet smelten. 

<Info auteur>

De spirituele naam van Ton Haarmans (1953), ‘Pantha Chinmayo’ betekent het ‘Pad van Bewustzijn’, een naam gekregen van Rajneesh, begin jaren ’80. Dit pad bleek helemaal geen pad te zijn. Het valt gewoon samen met het leven zelf, geschouwd in en als Bewustzijn. 
Met veel enthousiasme ontwerpt Chinmayo websites. Hij heeft filosofie gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Hij woont in Lier.


Over relatief en absoluut
Jan Koehoorn

Wetenschap probeert verschijnselen te verklaren. Daarbij is de blik per definitie naar buiten gericht. Wat zou er gebeuren als je diezelfde blik naar binnen richt? Wat is er te ontdekken in de wereld van niet-verschijnselen?

De wetenschap houdt zich al vrij lang bezig met het verklaren van de vier dimensies waarin we verondersteld worden te leven. We kennen een driedimensionale ruimte en we kennen tijd. Vroeger werd aangenomen dat het absolute grootheden waren, waaraan niet te tornen viel. En voor verreweg de meeste situaties gingen de wetmatigheden die op dit gebied ontdekt waren, op. Met de leer van de mechanica en de wetten van Newton en Keppler konden bijvoorbeeld zeer nauwkeurig de bewegingen van hemellichamen beschreven worden. Totdat Albert Einstein met zijn algemene en speciale relativiteitstheorie de hele fysica op haar kop zette door te laten zien dat tijd kan uitrekken en inkrimpen en dat ruimte gekromd kan zijn. Simpel gesteld: een meter is niet altijd een meter, en een uur is niet altijd een uur.
Op zich geen nieuw verschijnsel, want iedereen kent wel de ervaring dat de tijd soms vliegt en een andere keer weer voorbij lijkt te kruipen. Een gezellig avondje feesten in de kroeg gaat sneller voorbij dan twee uur in de stoel van de tandarts. Als je jong bent, lijkt een jaar al heel wat, maar hoe ouder je wordt, hoe sneller het gaat. “Na de veertig gaat het hard”, hoorde ik mijn moeder vroeger vaak zeggen.
En met afstand is het niet anders. Als je een groot stuk met de auto moet rijden, dan lijkt de terugweg heel vaak korter dan de heenweg. En honderd meter horizontaal te voet afleggen, lijkt heel wat korter dan honderd meter omhoogklimmen op een ladder. In onze beleving van tijd en ruimte zitten per geval grote verschillen. Hoe zou dat kunnen als tijd en ruimte absolute grootheden zouden zijn? Het antwoord lijkt voor de hand te liggen: dat zijn ze helemaal niet. (…)


Wetenschap en advaita
Douwe Tiemersma

Voor een begrip van de relatie tussen wetenschap en advaita is het nodig preciezer naar de aard van de diverse typen wetenschappen te kijken.
Als men in het dagelijks leven over wetenschap spreekt, heeft men het meestal over de natuurwetenschap in een klassieke vorm. Deze natuurwetenschap wordt gekarakteriseerd door een kenmethode van zintuiglijke waarneming en van logisch denken. Deze methode om kennis te verwerven is bepalend voor de aard van de kennis die men verkrijgt en voor de aard van de werkelijkheid die men leert kennen. De werkelijkheid wordt op een afstand geobserveerd en zo tot een object gemaakt. De wereld is dan een wereld van dingen waar de waarnemer geen inwendige betrokkenheid mee heeft. Deze wereld kan dan ook worden geanalyseerd, uit elkaar worden gehaald tot elementen, en men veronderstelt dat de processen aan causale wetten beantwoorden (determinisme). Het lichaam van iemand, bijvoorbeeld, wordt in de operatiekamer een object waarin de chirurg kan snijden en dat is onderworpen aan de fysiologische wetmatigheden.

De geesteswetenschappen en verdere of hermeneutische wetenschappen bestuderen teksten, gebeurtenissen en verschijnselen in de menselijke wereld van betekenissen. Hierbij is, net als in de sfeer van spiritualiteit, de kennende persoon zelf in het kennen en in het gekende betrokken. Het gaat hier om interpretatie (hermeneuse), een gevoelsmatig of geestelijk kennen, waarin de kenner en het gekende een directe, inwendige relatie hebben of zelfs min of meer samenvallen. De werkelijkheid bestaat dan niet meer uit materiële objecten, maar uit betekenisvolle verschijnselen. Zij worden in hun betekenis ervaren. (…)


Eckhart Tolle in Rishikesh 
Mieke Berger

Reisverslag van Mieke Berger Ph.D. In februari 2002 bezocht zij de Parmarth Niketan Ashram, waar Eckhart Tolle voor het eerst in India een bijeenkomst met gesprekken organiseerde.
Het is een voorrecht, dat ik juist in India bij een retreat van Eckhart Tolle aanwezig kan zijn. Zijn boek en, belangrijker nog, een openhartig interview, hebben me overtuigd: Eckhart Tolle heeft 29 jaar geleden een authentieke eenheidservaring gehad, die daarna zijn verdere leven heeft bepaald. Tijdens een diepe depressie ontwaakte hij midden in de nacht en overdacht dat hij niet meer met zichzelf kon leven. Plotseling drong het tot hem door dat er in die gedachte iets heel raars was: ik en mezelf. Hoe kunnen er twee ‘ikken’ zijn? Ik is ik en die kan niet bestaan uit een ‘ik’ en een ‘mezelf’. Hij viel weer in slaap en bij het ontwaken was zijn leven fundamenteel anders. Wat hem overkomen was, kende hij noch uit eigen ervaring noch uit studie of overlevering. Hij constateerde dat hij gedragen werd door een diep en intens geluksgevoel. Het dwangmatige denken over- en benoemen van objecten was verdwenen. Blij, maar verdwaasd, bekeek hij de wereld vanuit een heel ander gezichtspunt. Zonder oordeel, zonder objecten te labelen was hij waarnemer van een duizelingwekkende variatie aan vormen. Naderhand besefte hij dat de identificatie met zijn ego of mind volkomen was opgelost. Het zorgde wel voor wat praktische problemen. Hij heeft daarna zeker zo’n 2 jaar op een bankje in het park doorgebracht, verwonderd kijkend naar al die vormen en altijd met dat geluksgevoel. 
Het zal dan nog 30 jaar (!) duren voordat Eckhart met zijn ervaring naar buiten treedt. In die periode leest hij over Sri Ramana Maharshi, Nisargadatta, Meister Eckhart en anderen, om daarna te begrijpen wat hem overkomen is. Pas dan is de tijd rijp om degenen die inzicht verlangen de weg naar verlichting te wijzen. Nu voor het eerst in de bakermat van de Advaita Vedanta, India. Een westerse ‘verlichte’, die in India onderricht geeft! 

<info auteur>

Mieke Berger woont, werkt en leeft als healer in Costa Rica. Zij geeft regelmatig teachings op basis van haar aan Advaita Vedanta verwante inzichten. Ook biedt zij weekkuren aan, waar intensief gewerkt wordt aan het lichaam, en belangrijker wellicht nog, aan het doen ontstaan van inzicht als middel om persoonlijk lijden te beëindigen. Website http://www.Jinshinhealing.com 


Is het ego illusie?
Interview met Bannanje Govindacharya
Door Andrew Cohen

In dit artikel geven zowel Andrew Cohen als Bannanje Govindacharya hun bezwaren tegen bepaalde interpretaties van de Advaitaleer. Het artikel toont aan hoe een oppervlakkige benadering van de Advaita kan leiden tot conclusies die gevaarlijk zijn, doordat dat ze eerder de trots en de aanmatiging van het ego versterken in plaats van ze af te zwakken. 
B.G.: In de Indische filosofie heeft het ‘ego’ verschillende schakeringen van betekenis. Het ego is niet alleen hoogmoed of eigendunk of arrogantie. In zijn meest fundamentele betekenis is het ego bewustzijn van het zelf. Dat is het subtiele ego dat in het Sanskriet ahamkara genoemd wordt. En dat is gewenst, dat moet niet ontkend of verworpen worden. Bewustzijn van het zelf is een zeer essentieel deel van de praktijk. Eerst moet ik weten wat ik ben. Voordat ik bewust kan worden van God moet ik bewust worden van mijzelf. Dit is het vereiste ego. Men moet het hebben. Het mag niet door de praktijk of door een spirituele beoefening ontkend worden. Zelfs in de toestand van de diepe slaap is het aanwezig. Zelfs in moksha ben je bewust van je zelf, samen met het bewustzijn van God. Dat is het ene soort ego.
Maar dan heb je het gevaarlijke ego. Het grove ego van eigendunk en hoogmoed. In de spirituele praktijk is dit altijd gevaarlijk. Krishna zegt in de Bhagavata: “Als je kennis, wijsheid of een filosofie verworven hebt, wees dan niet egoïstisch.” Denk niet: “Ik heb dit geleerd, ik weet het.” Nee, dit hoort er niet bij. Ook al heb je kennis, het moet steeds samengaan met overgave en nederigheid. Anders is deze kennis gevaarlijk. Als je God wilt realiseren moet dit soort ego, deze eigendunk en trots vernietigd worden.

<info> 

Bannanje Govindacharya wordt in India beschouwd als een eminent kenner van de Vedanta. Toch is Govindacharya zelf geen advaita-aanhanger, maar een verdediger van de dvaita (dualistische) vedanta, die meer devotioneel gericht is en een onoverbrugbare scheiding ziet tussen de individuele ziel (jiva) en de Allerhoogste Heer (Ishvara).


Naakt bewustzijn
Jan Kersschot

Wat belet ons onze ware natuur te zien? Wat is deze kloof, deze leemte tussen wat we werkelijk zijn en dat wat we denken of geloven te zijn? Wat is de ontbrekende schakel die dit dualisme transcendeert? Waar is de achtergrond die alles in zich verenigt? Hoe komt het dat we dit Eén-zijn hebben verloren? 
Een van de redenen ligt in het feit dat de meeste zoekers lijken voorbij te gaan aan het Bewustzijn op zich. Met andere woorden: ze zien het Subject over het hoofd. Inderdaad, de meeste volwassenen zien niet datgene wat ziet, datgene wat opmerkt, want ze geloven dat hun persoon het subject is. Ze zijn gehypnotiseerd door het denken dat steeds geneigd is zich te laten afleiden door de feitelijke inhouden van het bewustzijn, zoals lichamelijke sensaties, gevoelens en gedachten. Al die naar binnen komende feiten geven aanleiding tot een aantal concepten en geloofsvormen. En deze concepten overschaduwen het lege Bewustzijn dat het waarnemen toelaat. We ‘zien’ dus het waarnemende Bewustzijn niet meer omdat we ervan uitgaan dat wij – als persoon – ons bewust zijn van wat er gebeurt. In andere woorden: we zien de beelden op het scherm, maar merken het witte doek zelf niet op. We zijn gehypnotiseerd door het verhaal van de acteurs en vergeten de alomtegenwoordige aanwezigheid van het Licht dat maakt dat onze films zichtbaar worden. We zijn gehypnotiseerd door de beelden – en het verhaal dat daaraan verbonden is – en zijn het licht dat dit alles mogelijk maakt volledig uit het oog verloren. Sommige mystici beweren, dat deze achtergrond waartegen het bewustzijn afsteekt juist dat is wat ze wezenlijk zijn. Of beter nog: dat wij dat allemaal zijn. Ze beweren dat wij het licht zijn in die beelden van onze film. Wat we denken te zijn is heel wat anders: dat is de persoon, de hoofdacteur. Maar wat we zijn is het licht in de beelden van die acteur. 
Waarom vinden de meeste spirituele zoekers het zo moeilijk dat te aanvaarden? Is er een plausibele reden dat we dat niet zien? Komt dat omdat we de rechtstreekse ervaring van naakt bewustzijn missen? Hoe kunnen we daar een oplossing voor vinden? Zouden we experimenten kunnen doen die ons hierin kunnen helpen? (…)


Zolang voorradig kunnen vorige nummers nabesteld worden.

Voor meer informatie hierover kunt u contact opnemen met: 
Meinhard van de Reep 
Uitgeverij Inzicht 
0252 522001 / fax 023-5274404

E-mail:
info@inzicht.org

Opgave voor een abonnement kan ook via deze website, 
klik hiervoor op de button "Abonnement"