Verlichting als
bevrijdende communicatie
(uit InZicht Nr.1 - februari 2000 - jaargang 2)
Nico Tydeman
|
In het Ch'anboeddhisme (Zen in Japan) heeft
verlichting alles te maken met de alledaagse omgang met andere mensen. De
bevrijdende relatie tussen leraar en leerling bevindt zich dan ook op dit
vlak van communicatie.
Een speciale transmissie buiten de geschriften
om, Ch’anverlichting is een bijzondere overdracht die zich afspeelt tussen twee of meerdere mensen. Hoewel de Mahayana literatuur duidelijk op de achtergrond aanwezig is, bijvoorbeeld de Lankavatara Sutra, de Avatamsaka Sutra, de Prajnaparamita Sutra, betreft deze transmissie niet de overhandiging van een stapeltje aanbevolen boeken, noch de verschaffing van informatie en kennis inzake leer en traditie, maar een ontmoeting van hart tot hart. Ch’an gaat over de uitwisseling van onze diepste roerselen, beweegredenen, verlangens, dromen. In die overdracht stellen twee personen zich open voor elkaar, zodat zij elkaars hart bereiken en van daaruit met elkaar communiceren. Daartoe dient een ieder zijn ‘ware natuur’ te kennen. De gewoonlijk gebruikte vertaling ‘ziende in de eigen ware natuur’ mist het dynamische en het concrete dat de Chinezen met de term ‘hsing’ aanduiden. Heeft ‘ware natuur’ voor ons al gauw de betekenis van een wetmatigheid of een algemeen, abstract princiep, ‘hsing’ wijst vooral op een gedrag en wel in een verbindende zin: naar elkaar toe gaan, lopen, elkaar ontmoeten op een weg, de markt, een doorgangsplaats. 'Hsing' betekent verder ook werken, doen, en vandaar business, handel. Oorspronkelijke of ware natuur staat voor oorspronkelijk handelen, werk dat van nature gedaan wordt. Ziende de ware natuur is ziende hoe je je naar waarheid gedraagt. Wat daaruit volgt ‘het bereiken van Boeddhaschap’, wordt door Ch’an meester Huang Po geparafraseerd als: ‘je gedragen zoals de Boeddha’s zich gedragen’. En hij voegt daar veelbetekenend aan toe: ‘dat is een gedrag zonder vast perspectief’. Zoeken naar waarheid, het gaan van het boeddhistische pad (‘marga’) om te ontdekken wat de belofte van bevrijding inhield, werd in de Ch’antraditie verstaan als het zoeken naar een persoon, bij wie bevrijding beoefend kon worden. Hadden zij iemand gevonden, die zij durfden te vertrouwen, dan gingen zij een verbinding aan. Zij verbleven een bepaalde tijd in zijn directe omgeving, voerden langere of kortere discussies, werkten met hem op het land, of zij amuseerden zich simpelweg met elkaar. De levens van leraar en leerling raakten met elkaar verweven. Er ontstond onderling een intieme relatie. De leraar liet zien wie hij werkelijk was - reeds een kunst apart - en de leerling werd uitgenodigd hetzelfde te doen. Geen vertoon van grote inzichten, diepe realisaties of heldhaftige daden, maar alledaagse conversatie waarin twijfel, domheid, tranen en humor beurtelings een rol spelen. Wederkerige oprechtheid was wellicht het belangrijkste kenmerk van hun onderlinge verhouding. De leraar daagde de leerling uit zijn hoge verwachtingen omtrent verlossing en alle eventueel geleerde lessen van het verleden te vergeten. Nirwana? Dat is de tuin, de gevel van een huis, een grassprietje, een kiezelsteen. Bevrijding geschiedt tussen deze twee personen die elkaar aankijken, woorden wisselen, gebaren naar elkaar. De Ch’anleraren gingen zelden of nooit in op leerstellige kwesties, gaven geen uitleg van de teksten, maar verwezen voortdurend naar de situatie waarin men op dat moment verkeerde. Zij bekommerden zich niet om typisch boeddhistische standpunten, al waren zij zeer goed op de hoogte van de leer. Zij gedroegen zich zoals het op dat moment in hun hoofd opkwam, zonder de zorg om te reageren volgens bepaalde regels, zonder de zorg zelfs om een ander tot verlichting te brengen. Zij antwoordden in de gegeven situatie met hun eigen persoonlijke aanwezigheid. Had de desbetreffende leraar hoofdpijn en derhalve geen zin in het gezeur van zijn ijverige leerling, hij stuurde hem naar een oudere student. Zag hij dat hij voor deze of gene student niets kon doen, dan verwees hij hem naar een andere leraar ergens in de buurt of desnoods een heel eind verderop. Hoezeer de Ch’anleraren de vragen, de twijfel en de wanhoop van hun leerlingen ook serieus namen, zij beschouwden het leven als een ernstig spel. Zij lijken daarom te improviseren en nodigen hun leerlingen uit hetzelfde te doen. "Er was eens een monnik, Soshin genaamd, die trainde onder meester Dogo. Hij was een lieve, oprechte jonge monnik, zijn naam waardig (Soshin betekent ‘waard om te vertrouwen’). Hij was wanhopig geworden, meer dan hij kon verdragen. Sinds hij naar het klooster was gegaan voor zijn training, had zijn leraar Dogo, zelfs niet voor één keer enige instructie of gepaste leiding gegeven. Op een dag kon Soshin het niet langer aan, ging naar zijn leraar en vroeg: ‘Sinds ik naar dit klooster kwam, heb je mij nog geen enkele keer onderricht gegeven. Wat is de reden daarvoor?’ Daarop gaf zijn meester wel het minst verwachte antwoord: ‘Waarom? Sinds je naar mijn klooster kwam, heb ik geen ogenblik nagelaten je onderricht te geven.’ ‘Wat voor onderricht heb je me dan gegeven?’, vroeg Soshin. ‘Wel, wel! Als je mij een kop thee bracht, nam ik dat dan niet van je aan? Als je mij de maaltijden opdiende, at ik er dan niet van? Als je mij groette met je handen tegen elkaar gedrukt, boog ik dan niet op mijn beurt naar jou? Heb ik ooit nagelaten jou leiding te geven?’ Terwijl Soshin luisterde, liet hij zijn hoofd diep hangen en kon hij een ogenblik lang niets zeggen. Plotseling overviel hem een vreselijke schreeuw van de meester welke diep door zijn hele wezen doordrong: ‘Als je kijkt, zie het direct! Zodra een gedachte opkomt, is het voorbij!’. Bij het horen van dit, uitte Soshin een onbedoelde kreet: ‘Oh!’ en wierp zich voor zijn leraar op de grond, in tranen - of het van vreugde of verdriet was wist hij zelf niet." (Shibayama) Ch’anstudenten gingen naar Ch’anleraren om bevrijdend te leren denken en bevrijdend te leren handelen. Maar wat is bevrijdend handelen, ofwel ‘verlicht gedrag’? Hoe komt het tot stand? Is het aan te Ieren? Kan het beoefend worden? Bevrijding is onbegrijpelijk. Het bestaan is mysterie en de erkenning en de communicatie van dit mysterie is de bron voor een bevrijdende handeling. De werkelijkheid is mysterie en zijn verlossende kwaliteit zit in zijn mysterieuze werkzaamheid. De werkelijkheid ‘werkt’, meer dan ik kan bedenken en meer dan ik kan beogen. Voorafgaand aan alle opzettelijkheid en elke bedoeling toont dit mysterieuze functioneren zich in iedere vorm en elk gedrag. Is ‘werkelijkheid’ altijd geïnterpreteerde werkelijkheid, als oorsprong van alle interpretaties is zij meer dan de interpretatie. Zij heeft altijd een verassing in petto. Er is altijd iets nieuws, iets anders gaande. In al wat bedacht, verlangd of bereikt wordt, schuilt een overvloed, die niets teniet doet, maar alles van een meerwaarde voorziet. Ch’an/Zentraining is dan ook niets anders dan een verzameling praktijken om voor deze meerwaarde ontvankelijk te worden. Ch’anstudenten worden uitgenodigd deze onbegrijpelijke, niet nader te bepalen, niet-objectiveerbare meerwaarde te ontdekken in alle manifestaties en vormen van de werkelijkheid. Deze ‘schittering’ (Ummon’s ‘stralend licht in iedere persoon’) is niet een individueel bezit, noch een moeizaam verworven vaardigheid van een ‘verlichte’, maar de ‘ware natuur’ van heel de natuur. Zij functioneert in alle functies. Zij is, naar de Chinese opvatting, de oneindige stroom van energie die overal en altijd werkzaam is. ‘We zijn op zoek naar Verlichting, totdat we ontdekken dat we door Verlichting rondgeslingerd worden’ (Ch’angezegde). De ontmoeting tussen leraar en leerling mag dan geslaagd heten als in hun relatie een moment aanbreekt waarin dit mysterieuze functioneren in woord en gebaar voor beide herkenbaar uitgewisseld wordt. Leerling ontmoet leraar. Mysterie communiceert mysterie. Er vindt bevrijding plaats. Omdat het over een onbegrijpelijke wijze van functioneren gaat, is het wederzijdse gedrag niet te vatten in bepaalde categorieën en is bevrijding niet bewijsbaar, niet objectief aantoonbaar. Bevrijding is een zaak van het bewustzijn, puur subjectief. Mysterieus als dit functioneren is, is het onvoorspelbaar, zonder voorafgaand precedent, niet gebaseerd op bepaalde, vaste regels. Twee mensen reageren op elkaar. Een diepe interesse in de grote kwesties van leven en dood heeft hen bij elkaar gebracht. Zij antwoorden vanuit een wederkerige betrokkenheid, een wederzijdse verwevenheid in elkaars situatie. Zij erkennen daarin het wonder van bevrijding. Een buitenstaander, een zogenaamde objectieve waarnemer, zou niets bijzonders zien en hooguit verbaasd en vol onbegrip toekijken. Maar diens onbegrip betreft niet het onbegrijpelijke dat leraar en leerling met elkaar uitwisselen. Ch’anmeesters brengen niet hun leerlingen tot verlichting. Verlicht gedrag, als mysterieus functioneren, heeft geen kenbare, aanwijsbare oorzaak. Verlichting is geen kwestie van aangereikte kennis, noch van aangeleerd gedrag. Verlichting, in de zin van een bevrijdend moment, ontstaat tussen mensen of tussen mens en wereld. (Uit: Dansen in het duister. Een proeve van spiritualiteit. Asoka, Nieuwekerk a/d IJssel, 1999; zie ook de boekbespreking in dit nummer) Nico Tydeman kwam in 1971 door Karlfried Dürckheim met zenmeditatie in contact. In 1983 werd hij leerling van Genpo Merzel Roshi, van wie hij in 1999 de transmissie ontving. Hij leidt diverse zengroepen en schreef onder andere 'Zitten, de praktijk van Zen' en 'Vormen van oneindige leegte'. |
|
Inhoud |
|
|
Thema: De leraar Krishnamurti
over de leraar Realisatie, geen
adoratie Een revolutie in
autoriteit Verlichting als
bevrijdende communicatie Het onmiddelijke
zien De dood van de
leraar De goeroe De Meester-devotee
relatie Zien wie je bent Rubrieken: |
Voor meer
informatie hierover kunt u contact opnemen met:
E-mail:
info@inzicht.org
Opgave voor een
abonnement kan ook via deze website, klik hiervoor op de button "Abonnement" |