Boeddhisme en psychotherapie
(uit InZicht Nr.2 - mei 2000 - jaargang 2)
Han F. de Wit
|
Om de relatie tussen boeddhisme en psychotherapie te verduidelijken, is het nuttig de verschillen te zien tussen de typen van lijden die elk wil opheffen. Inleiding
Omdat ook psychotherapie zich richt op het verzachten en zo mogelijk wegnemen van (geestelijk) lijden, zullen we hier de relatie tussen psychotherapie en boeddhisme vooral in termen van de Eerste Wenteling onderzoeken: wat verstaan beide tradities onder lijden en hoe verhouden die zich tot elkaar? Als we daar zicht op hebben, kunnen we zien of en hoe het spirituele pad van de Boeddha en psychotherapie met elkaar overeenkomen of verschillen. Ik wil dat doen aan de hand van twee beroemde uitspraken. De eerste is afkomstig van de Boeddha en luidt: 'Mijn leer richt zich maar op één ding: lijden en de opheffing van lijden (zie bijv. Majjhima Nikaya, I, 140). De tweede uitspraak is van Freud en luidt dat (zijn) psychotherapie ertoe kan bijdragen om neurotisch lijden te transformeren tot gewoon menselijk lijden ('in gemeines Leiden', Freud, 1952, I, 312). De boeddhistische betekenis van
'lijden'
Wat nu het verschil is tussen de Boeddha en de niet-verlichte mens is dat de niet-verlichte mens voortdurend geneigd is de ogen voor deze pijnlijke realiteiten te sluiten en ze te bestrijden. Dat is er de oorzaak van dat hij lijdt onder deze feitelijkheden. Het is deze angstige en blinde strijd, deze afweer en het verzet, die maakt dat de niet-verlichte mens, in tegenstelling tot een Boeddha, lijdt onder deze acht onvermijdelijke vormen van pijn. In dat verband spreekt de Boeddha dan over de acht vormen van duhkhadhuhkhata, de acht vormen van lijden (duhkhata) aan pijn (duhkha), die eigen zijn aan het niet-verlichte menselijke bestaan: (1) lijden onder geboortepijn, (2) lijden onder ziekte, (3) lijden onder ouderdom, tot en met (8) lijden onder het proberen vast te houden wat we willen houden. In De Lotus en de Roos (De Wit, 1998) heb ik deze vormen van existentieel lijden genoemd. Een Boeddha ziet deze vormen van pijn daarentegen onbevreesd en met mededogen onder ogen. Hij of zij ziet de werkelijkheid zoals ze is en is ermee verzoend. Daardoor doen de pijnlijke kanten ervan hem of haar niet langer lijden, maar wekken ze deernis en zorgzaamheid. Zijn of haar leven wordt niet langer beheerst door de angstige en bij voorbaat verloren strijd tegen de pijnlijke kanten van het menselijk bestaan, maar door daadwerkelijke compassie ervoor. Een Boeddha is dus vrij van existentieel lijden. De oorzaak van het feit dat de niet-verlichte mens existentieel lijden ervaart is dat deze mens voortdurend een mentale beweging voltrekt van afweer, ontkenning en verzet tegenover de pijnlijke kanten van het bestaan, in de mening dat dat de weg naar geluk is. Het boeddhisme reikt ons een spirituele discipline aan in de vorm van meditatiebeoefening, die ons niet alleen in staat stelt te ontdekken dat deze mentale beweging ons juist steeds weer wegvoert van geluk, maar ons ook helpt om deze leedverwekkende mentale beweging in onszelf op te merken en op te geven. Dat gaat gepaard met een proces van onder ogen zien van en vriendschap sluiten met ons eigen existentiële lijden. En dat proces leidt dan tot het opheffen van existentieel lijden, doordat het wordt getransformeerd tot onvoorwaardelijke compassie voor het menselijk bestaan. De psychotherapeutische betekenis
van 'lijden' De relatie tussen psychotherapie
en boeddhisme Deze implicaties geven ons niet alleen zicht op het verschil tussen psychotherapie en een spiritueel pad, maar ook geven ze ons een handvat om te bepalen wanneer psychotherapie en wanneer een spiritueel pad heilzaam is. Omdat het spirituele pad van de Boeddha zich richt op het opheffen van existentieel lijden, kan dit pad alleen worden begaan wanneer dit lijden aan de oppervlakte ligt. Wanneer dit lijden door neurotisch lijden overdekt is en niet aanraakbaar is, dan is een psychotherapeutische en niet een spirituele benadering aan de orde. Anders gezegd, iemand die worstelt met existentieel lijden en zich daarvan wil bevrijden, is bij een psychotherapeut niet aan het juiste adres. Freud had de Boeddha en zijn leerlingen niet kunnen helpen. En iemand die worstelt met neurotisch lijden heeft er geen baat bij het pad van de Boeddha op te gaan. Existentieel lijden opheffen door vriendschap te sluiten en volledig te leven met de onvermijdelijke realiteiten van ons bestaan - met onze lichamelijke kwetsbaarheid, onze sterfelijkheid, met het feit dat het leven zich niet laat dwingen door onze wensen - is geen geringe opgave. Het is een spirituele opgave, waar een spirituele mentor behulpzaam bij kan zijn. Het gaat daarbij om een ander proces dan het opheffen van neurotisch lijden door vriendschap te sluiten en te leren leven met ons existentiële lijden. Daar kan een psychotherapeut behulpzaam bij zijn. Het opheffen van existentieel lijden vraagt namelijk om andere vormen van begeleiding en hulp en berust op een andere psychologie - een contemplatieve psychologie (zie De Wit, 1999, 1994) - dan die welke bij het opheffen van neurotisch lijden heilzaam is. Spiritueel mentorschap is dan ook een andere discipline en berust op een andere training dan die welke psychotherapeuten geven. De kwaliteit van een spirituele mentor is in hoge mate afhankelijk van de mate waarin hij of zij vrij is van existentieel lijden, van de mate waarin hij of zij zichzelf heeft verzoend met de werkelijkheid zoals ze is. De kwaliteit van een psychotherapeut is daarentegen in hoge mate afhankelijk van de mate waarin hij of zij zelf vrij is van neurotisch lijden. Maar een psychotherapeut behoeft niet vrij te zijn van existentieel lijden. Hij of zij mag persoonlijk moeite hebben met en lijden onder ervaringen van verlies en tegenslag en regelmatig angst hebben voor het leven en de dood. En de meeste psychotherapeuten hebben dat ook. Op dat vlak zullen cliënt en therapeut elkaar na een geslaagde therapie ook kunnen ontmoeten. Dat alles betekent ook dat een spiritueel pad gaan en psychotherapie twee verschillende wegen met verschillende doelen zijn. Wanneer een spirituele mentor of een psychotherapeut zich daar niet van bewust is, dan loopt deze het risico van onprofessioneel handelen. Het kan dan zijn dat mensen die met een existentiële problematiek worstelen in psychotherapie gaan. Wanneer zij daar dan geen baat bij vinden, raken zij teleurgesteld in de mogelijkheden ervan. En het kan zijn dat mensen vanwege neurotische problematiek een spiritueel pad op gaan en daar op hun beurt geen baat bij vinden. Ook zij zullen daardoor hun vertrouwen verliezen in de mogelijkheid van bevrijding, waar het bij spiritualiteit om gaat. Daarom is het belangrijk om als psychotherapeut en als spirituele mentor (diagnostisch) zicht te hebben op wat de persoon door wie zij worden benaderd, nodig heeft. Daarnaar handelen is een daad van compassie. (Han F. de Wit is contemplatief psycholoog en als meditatieleraar verbonden aan de Shambhala Centra in Nederland, waar regelmatig cursussen worden gegeven over boeddhistische meditatie en haar psychologie.) Literatuur |
|
Inhoud |
|
|
Thema:
Jij
bent het De
Zijnsgeoriënteerde visie Psychotherapie en
spiritualiteit Ondertussen... Boeddhisme en
psychoterapie In hoeverre betreft
zelfonderrzoek onze persoonlijkheid? De directe weg en de
psychologische kennis Rubrieken: |
Voor meer
informatie hierover kunt u contact opnemen met:
E-mail:
info@inzicht.org
Opgave voor een
abonnement kan ook via deze website, klik hiervoor op de button "Abonnement" |