De
Verwondering Als kind vroeg ik mij al af waarom een eikeblad zulke ongewone, verrassende en mooie vormen had. Ik streelde de randen met voorzichtige wijsvinger en voelde hun schoonheid in mij overgaan. Vandaag zou ik zeggen: hun heiligdom, hun numineus mirakel. Vandaag nog verwonder ik mij over alle vormen die de werkelijkheid op deze aarde heeft aangenomen. Van virus en microbe tot interstellaire raketten. En mijn verwondering stijgt ten top als ik denk dat de ongrond, die een volstrekt mysterie is, en als onvoorstelbaar en onzeggelijk substraat van vr het oneindig kleine en de loutere energie tot ons komt, en die in onze povere voorstelling, omdat wij ze tot in de diepte niet kunnen volgen, ons als een leegte aandoet, dat deze ongrond al deze vormen heeft voortgebracht. Dat hij de vader is van iets zo gesofistikeerds als een cyclotron. Alle wonderen der techniek met hun tot in het oneindige gedifferentieerde manipulatiemiddelen en hypergevoelige instrumenten, tot de kleinste moer en het eenvoudigste pipetje toe, zij zouden zonder de ongrondelijke impuls niet tot stand zijn gekomen. Ik sla een scheikunde- of een wiskundeboek open en kijk naar een bladzijde vol van voor mij hiëroglyfische, onverstaanbare formules en tekens en ik denk: zo ziet er een aspect van de werkelijkheid uit, die uit de ongrond is ontstaan. Ik bekijk een voetbalwedstrijd, zie mensen in short achter een witte bal lopen en daarrond een massa publiek, waarin op zekere momenten explosies van geestdrift en geschreeuw, op andere momenten van woede uitbarsten. Mensen roepen, juichen of tieren, of gaan in razernij elkander te lijf en ik kan niet anders dan geamuseerd en onthutst tegelijk weten: ook dit is ongrond. Ik zie vrouwen en mannen in een sobere zaal in lotus-houding zitten, die onbeweeglijk en als voor eeuwig in een louter niets, indien niets iets positiefs kon zijn, zijn overgegaan. (Suso zegt: God is een Niet dat bestaat!) en plots zie ik Verdun en Stalingrad en de krankzinnige slachtpartijen van honderden duizenden op honderden duizenden voor een paar meter moddergrond of een paar kelderruïnes, alles in de naam van een idee, die het tegenovergestelde is van de ongrondelijke vruchtbaarheid van de ongrond. (Of zijn de doden de humus van de toekomst?) En ik denk aan de constructie van de hersenen, waar alle wonderen der techniek nog maar kinderspel bij zijn, een mysterie zo groot misschien als de ongrond zelf, op aarde misschien zijn veelzijdigste voortbrengsel. Maar de verwondering voor de hersenen verschilt niet van mijn jonge verwondering voor het eikeblad. Zij zijn dezelfde verwondering. En in mijn verbeelding passeren nu alle levensvormen op aarde, en de aarde zelf, van plankton tot walvis, van grasspriet tot sequoia, van zeedieptes tot Himalaya's, van magma tot ozon, de revue en overal sta ik voor de eenheid van de ongrond, die alles verwekte en die, wanneer hij in een totale ervaring beleefd wordt, zoals de mystieke ervaring er een is, maakt dat alle verschillen verdwijnen en wij alles in alles zien, onszelf inbegrepen. Dan is het de aard van eenheid veelvuldig te zijn, de aard van veelvuldigheid eenheid te zijn. En ook ikzelf ben samen met alles een stuk ongrond, een "veld", een "krachtveld" van de ongrond. Zoals het eikeblad ben ook ik een wonder, en al wat ik doe, denk, ervaar: het is de ongrond die het ervaart en die in mij, zijn instrument, van zichzelf bewust wordt. Ook ik ben dat sakraal heiligdom, maar slechts vanaf het ogenblik dat ik mezelf kan vergeten om een louter medium te zijn. Want om het te ervaren en te zijn, moet eerst mijn ego verdwijnen en uitgeblust worden, terwijl in zijn plaats het universele IK, het zijn zelf van de ongrond, treedt. En meteen zit ik weer, zoals vanaf mijn kinderjaren het geval was, in het fundamenteelste, heiligste wonder van alle wonderen: iets bestaat! Hoe komt het dat iets bestaat? Een amoebe of een draadloos bestuurd fotoapparaat dat, vanuit een ruimteraket, ons foto's stuurt van Neptunus, Pluto of het verste hemels vuurwerk? De duizelingwekkendste duizel is nu het enige wat is. En ook dàt is in mij. En ook dàt ben ik. Zachtjes en vriendelijk ontploft in mij de aarde, zet uit en is reeds Al geworden. Ik alleen besta nog. Er zijn geen grenzen meer aan mij. Ik ben het Al en het Al is mij. Maar paradoxaal: in de plaats van het kleine ik is nu het IK van het Al getreden. Het aards mannetje dat ik was bestaat op dat ogenblik niet meer. Alleen het Al bestaat. De serene, allesbeheersende duizeling. Samen met de zijnsverwondering dat er überhaupt iets bestaat is er de onoplosbare vraag waarom er überhaupt iets bestaat. Sommigen beschouwen de wereld als een illusie. Maar ook een illusie bestaat. En ook de illusie van de illusie van een illusie. En ook de duizeling, wie of wat de duizeling beleeft en datgene wat de duizeling verwekt heeft, bestaan. Wat India maya noemt is minstens nog altijd een niveau, een aspect van de werkelijkheid. Want anders zouden we er zelfs niet kunnen over spreken. Alles is reëel! In alles is de ongrond zichzelf. Deze duizeling echter ebt weg als duizeling. Zij wordt serene duizeling en dan sereniteit zonder meer. Ananda, zijnszaligheid. Alle emoties, alle zijnswijzen zijn al lang weggevallen. Er is nog alleen de al-heid van het Zijn. Dan zijn er ook geen vragen meer. Ook niet naar een waarom. Het Zijn is eenvoudig. Uit zichzelf. Gegeven. Begin-loos. Einde-loos. Universeel. Ruimteloos en tijdloos. Alles wat ik eens was is nu deze vanzelfsprekende totaliteit, dit onzeglijk éne, dit universeel reële. |