Wijzen

|
Als
je met je vinger ergens in de wereld naar wijst,
dan wijs je naar verschijningsvormen. Je bevindt
je op een afstand van waar je naar wijst. Het kan
een muur zijn, een boom, een mens, de vloer, je
been, je buik... Telkens merk je 'iets' dat
begrensd is, met kleuren en vormen: je wijst naar
een ding. |
| Wijs
nu met je vinger naar de plaats waar anderen je
gezicht zien. Probeer even alles wat je weet te
vergeten. Schakel voor een moment het geheugen,
het voorstellingsvermogen, de verbeelding uit en
kom bij wat nu is: "waar
wijst je vinger naar?"
|
Je
hebt je aandacht 180° omgekeerd en kijkt naar
jezelf op nul centimeter afstand. Zie je een verschijningsvorm?
Wijs je naar een ding? (met
vorm, kleur, begrenzing)
|
Van
buitenuit gezien,
wijs je naar je hoofd Van binnenuit gezien:
waar wijs je naar?
|

|
| Als
je naar jezelf wijst, naar de plaats waar anderen
je gezicht zien, dan wijs je niet naar 'iets',
niet naar 'een ding'. Geen ogen, geen mond, geen wangen,
geen gezicht, geen hoofd!
Naar binnen kijkend is er
heldere, grenzeloze ruimte. Naar buiten kijkend
is er de wereld.
Je
verliest je hoofd en je wint de wereld
|
 
|